Categorie archieven: Mevrouw Bert

Het luisteren van Bert (28)

De eerste drie, vier maanden dat Bert bij me woonde, speelden we vooral veel. Dat leek het belangrijkste. Bert had spanningen, moest wennen en ik had op mijn beurt behoefte aan overzichtelijke activiteiten die me het gevoel gaven dat alles in orde was.

Dat was het natuurlijk niet, verre van.
Bert onzeker. Ik in de rouw vanwege mijn kleine rode rode kater Tim.
Alleen als we speelden, begrepen Bert en ik de wereld. Het lintje. De muis onder de lap. Elke dag op vaste momenten een aantal keren speelkwartier, dat mocht uitlopen, zolang we alle twee maar konden vertrouwen op de structuur.

Geleidelijk ontstond er zo rust om beter naar elkaar te kijken. Wie die ander was, in dit huis. Bert keek naar mij zoals ik naar hem keek, met belangstelling.
Elkaar leren kennen tijdens het spelen was het ene.
Het andere was aaien en praten. Bij elkaar liggen. Samenzijn.

Er kwamen avonden dat we boven op het grote bed lagen, in het schemerlicht van een nachtlampje. Op die avonden begon ik te ervaren dat Bert kon luisteren.
– Kijk Bert, dat schemerlampje, dat heb ik voor Tim gekocht, dan voelde hij zich geruster.
Bert keek kalmpjes in de richting die ik aanwees.
Ik vertelde verder. Over de oude dag van Tim, zijn onzekerheid, dat ik hem hielp.
– En ik help jou ook Bert, altijd, wat er ook gebeurt.
Aaien en knorren.
Het moedigde me aan om meer over Tim te vertellen. Hoe anders hij was geweest en dat anders zijn ook goed was:
– Jij bent weer groot van postuur en wollig in je vacht, en dat is ook mooi.
En ik vertelde over het asiel waar Tim uit kwam, en hoe ook hij moest wennen en het spelen dat hij deed, en dat hij een trauma had van heel vroeger:
– Dus dat mag Bert, je mag gewoon zijn zoals je bent, daar hou ik rekening mee.

Het waren avonden waarop we elkaar nader kwamen, we elkaar beter leerden begrijpen. Bert luisterde naar wat ik zei en hij voelde daardoor hoe ik was, wat er in mij was. En ik vond troost in zijn luisterende aanwezigheid, door te kunnen praten over Tim, en daarbij af en toe te kunnen kijken naar het vriendelijke gezicht van Bert.
Ik sliep erna altijd goed. Bert ook.

Bert helpt mee met het hoeslaken (27)

Op de slaapkamer staat een king size bed, en daarbij hoort dus een king size matras en daaroverheen past een king size hoeslaken. Altijd een gedoe om dat te vervangen, maar gelukkig hielp Bert graag mee, als het hem even uitkwam.

Elke keer hoopte ik wel dat het mij dan ook uitkwam.

Nodig

Want een gedoe was die vervanging van het hoeslaken. De dekbedden er allemaal af was al een kritieke handeling. Het maakte een geluid dat Bert, dan nog beneden in de huiskamer, in de aktie-stand zette. Hij hoorde iets. Hij moest even gaan kijken of hij daar nodig was.
Nodig en nodig zijn twee.

Techniek

Met de dekbedden van het bed, zag Bert een grote leegte. Dus hopla, springen en op het bed heerlijk liggen, de pootjes gestrekt, meteen tevreden knorrend om het gezellige van dit huiselijke avontuur.
“Hè Bert,” zei ik. “Ik moet wel wat doen, hoor.”
Dat vereiste een zekere techniek.
Eerst wrikte ik de ene hoek van het hoeslaken los, van het korte stuk. Daarna de andere hoek. Zo rolde ik het hoeslaken op, en de grote liggende knorrende huiskater bleef altijd gewoon liggen waar hij lag, op het midden van het bed.
Vervolgens rolde ik het andere korte stuk op.
Bert keek belangstellend toe.
Hij bleef liggen.

Via dezelfde techniek van de korte stukken friemelde ik het schone hoeslaken aan het matras, en dat rolde ik richting Bert.
“Kijk eens,” fleemde ik met zachte stem, “een schoon laken, daar kun je heerlijk op liggen.” Bert overwoog de aantrekkelijkheid daarvan en begaf zich zo langzaam mogelijk naar het schone laken, waar hij neerplofte.
Dan had ik zeven tot tien seconden om de operatie laken vervangen te voltooien. En daarna begon het echte fun-gedeelte.

Samen

Bert lag in de ene hoek.
Ik schuifelde naar de andere hoek.
We keken elkaar aan.
En dan liep hij, kroop ik, naar het midden. Bert liggen. Ik liggen. En zo lagen we dan, rustig ademend, in het midden van een king size matras. Ons kon niks gebeuren. Want wij waren samen.

Bert en het hitteplan (26)

Na de lente komt de zomer en die zomer heeft soms een hittegolf. Dat is een moeilijk iets. De Hollandse huizen zijn er niet voor gebouwd en de mensen die in zo’n huis wonen kunnen er evenmin tegen.
Ik niet, tenminste.

Leeftijd

Bert en ik woonden in een bovenhuis met ramen over de hele lengte van de huiskamer, waarbij ook nog een zongunstige ligging kwam.
Hitte buiten, hitte binnen.
Vooral naarmate Bert ouder werd, maakte ik me zorgen over zijn gestel en of hij wel de hitte zou overleven. Dat had te maken met mijn grootmoeder, ver in de tachtig, die kort na een hittegolf was vertrokken naar de hemel. Iedereen had het ook over haar leeftijd. En daardoor dacht ik aan Bert.

  • Zijn dikke vacht, ook na het verharen
  • Zijn weigering om te drinken uit een drinkfonteintje, met de poezenlimonade kwam ik misschien niet ver genoeg en zijn avondeten leek door het extra water al op soep
  • Zijn verlangen naar gewone dagen, die in niets van elkaar afweken
  • Zijn angstklachten, waardoor ventilatoren moeilijk zouden kunnen worden.

Plan

Elke keer keek ik naar het weerbericht en toen de aankondiging van de hitte kwam, maakte ik meteen een plan. Het gaf me wat greep op die ellende.
Opstaan voor 0500 uur. Dan de routine van medicijn-snack, knuffels, samen liggen met extra aaien voor het verharen.
Raam een beetje open, Bert aan het werk als controleur vensterbank, ik aan mijn tafel ook aan het werk.
Tegen het middaguur alles dicht en de ventilatoren aan.
In de middag rusten.
Avond herstel.

De senior katerman Bert deed het uitstekend. Was het ochtend, dan zat hij tevreden in de vroege zon. Met de eerste ventilator aan, ging hij er heerlijk voor liggen.
De tweede ging aan: Bert koos een locatie uit zodat hij van twee kanten goed doorwaaid werd.
Daar lag hij dan. Roerloos. Helemaal in het moment. In rustige rust.
Ook met de derde ventilator aan, die met de andere twee bepaald een ruisend geluid veroorzaakten.

Rust

Als ik hem zo intens stil zag liggen, dacht ik soms aan mijn grootmoeder en dan vroeg ik met bange stem: “Bert, ben je dood?”  Als antwoord hief Bert zijn kop op en keek me aan, met een volwassen-vermoeide blik van: je weet toch van niet.
Daarom vroeg ik snel niets meer, zodat hij zijn rust had.

Naarmate de zomer langer duurde, keek ik het voorbeeld van Bert af. Vooral dat roerloos liggen bleek heel goed te werken. Pootjes vooruit, een paar keer zuchten, wat smakken, de wind in huis voelen, en dan duurde een dag een minuut.
Een hittegolf was zo snel voorbij. Eigenlijk.

Bert gaat aan de sportbrokken (24)

Bert was gelukkig als hij lekker te eten had en ik was gelukkig als Bert lekker at, en als een logisch gevolg van deze gevoelsdynamiek kocht ik het ene lekker hapje na het andere.
De prijs vormde  nooit een bezwaar, als ik aan zijn tevreden smakken dacht.
Elke maaltijd en iedere snack serveerde ik op mooi servies, niet omdat Bert daaraan hechtte, maar om mijn geluk over de etende katerman te verdiepen.

Servies

-Lekker, Bert?
Dan keek hij op van het antieke Royal Doulton, zijn vacht mooi kleurend bij het gouden randje van het bord.
Of het breekbare Limoges, Frankrijk, waarop ik dan visfilets van de fijnste soort aanbood.
Bert maakte het geen klap uit.
Lekker was lekker.

Brokken

Het was heerlijk zo lang het duurde en het duurde tot het moment kwam, waarop zijn dokter zei: “Hij is te dik.”
Hoe dat kon, begreep ik wel.
Ook dat het roer om moest. Want overgewicht kon kwalijke gevolgen hebben, alleen al het noemen van diabetes maakte dat ik gemotiveerd was voor een nieuw traject.
Bert en ik gingen naar huis met een grote zak Metabolic brokjes en een doos zakjes. Er was maar één smaak. Ik moest de brokjes afwegen, want ook hiervan kon te veel inderdaad te veel zijn.

Vanuit de keuken serveerde ik de brokjes om mijn mooiste servies.
“Kijk Bert,” deed ik blij, “sportbrokken. Dat is voor bij het trainen.” Hij moest immers ook meer aan beweging gaan doen, was gezegd. De kater keek, rook aan de nieuwe geur en at, alsof hij nooit iets anders had gegeten. Rustig. Daarna deed hij een dutje. Spelen kwam wel.
Hij nam, zoals wel vaker, de dingen zoals ze waren en niet zoals hij misschien wilde dat ze waren. Het deed me terugdenken aan mijn tijd bij de Weight Watchers; de wekelijkse zaal vol mensen die vooral dachten aan wat ze niet mochten eten. Zo was ik ook geweest, toen.

Op gewicht

Na enige maanden kwam het controlebezoek bij de dokter. Bert was afgevallen. Geleidelijk slopen de snacks weer in het dagelijks leven, al bleef ik wel de sportbrokken af en toe erbij serveren. Want het was mijn verantwoordelijkheid om goed om te letten en ik had mijn les geleerd. Hij hoefde niet te eten voor mijn geluk. Dat zat alles welbeschouwd veel meer in zijn gezonde gewicht, en misschien ook een beetje in mooi servies.

Zo stelde Bert een grens (23)

Nog in het asiel, kijkend naar de grote kater die Bert was, stelde ik uit zelfbehoud de vraag: ‘Maar wat doet hij als hij iets echt niet wil?’

Die vraag kwam natuurlijk door mijn ervaringen met de kleine rode kater Tim. Hij was op zijn tweede jaar bij me komen wonen, een kater met een trauma door een moeilijke achtergrond. Daar was ik me wel van bewust geweest. De kater voor hem, Amore, had me zoveel liefde gegeven dat ik in het asiel zijnde om de moeilijkste poes had gevraagd. Voor de balans. Dus zo kwam Tim er. Hij stelde zijn grenzen door te bijten en uit te halen. Door de jaren heen was dat minder geworden, maar zulke ervaringen maken je alert. Daarom die vraag.

Blazen

“Blazen.” Bert blies dan van niet-doen en wil-ik-niet.
Ik kon me er geen voorstelling van maken. Dus ik vroeg wat ik dan moest doen.
“Niet serieus nemen.”
Een merkwaardige handleiding, leek me.
Tot ik die instructie nodig had.

“HSSSS!”

Het gebeurde toen Bert rustig in de vensterbank zat en de straat bestudeerde. Wat er gebeurde. Of het naar wens verliep. Waar hij nog even op moest letten.
Waar het vandaan kwam, is me onduidelijk tot op de dag van vandaag, maar ik meende leuk te kunnen zijn en stak plotseling mijn hoofd om de hoek van het gordijn.
“HSSSS!” deed Bert.
Meteen stak ik mijn hoofd terug en zei beteuterd: “Sorry hoor Bert.” We moesten alletwee even bijkomen van de gebeurtenis.

Het blazen kwam nog één andere keer voor. Dat was toen Bert en ik muis-onder-de-lap aan het spelen waren, dat is met kijken, spanning opbouwen, springen en rollen, een all round spel waar je flink moe van kunt worden. Bert was er goed in. Zijn concentratie op de muis ergens onder die lap was fenomenaal. Het sleepte me mee.
Van de weeromstuit wilde ik nog meer meespelen dan ik al deed. Terwil ik op handen en knieën zat, produceerde ik een kleine grom.
Dat was meteen foute boel. Bert keek alert op: “HSSS!”
Weer zei ik: “Sorry Bert.”

Daarna is het blazen niet meer voorgekomen.

Zachtmoedig

Blazen is een zachtmoedige manier om nee te zeggen, besefte ik achteraf. Op het moment zelf was het schrikken en inderdaad, dat was precies de bedoeling. Ik nam het serieus omdat het ook serieus was. Een katerman mag zijn grenzen stellen, en een ieder doet het op een eigen manier, maar hoe het ook gebeurt, de mens heeft zich ernaar te voegen.