De eerste drie, vier maanden dat Bert bij me woonde, speelden we vooral veel. Dat leek het belangrijkste. Bert had spanningen, moest wennen en ik had op mijn beurt behoefte aan overzichtelijke activiteiten die me het gevoel gaven dat alles in orde was.
Dat was het natuurlijk niet, verre van.
Bert onzeker. Ik in de rouw vanwege mijn kleine rode rode kater Tim.
Alleen als we speelden, begrepen Bert en ik de wereld. Het lintje. De muis onder de lap. Elke dag op vaste momenten een aantal keren speelkwartier, dat mocht uitlopen, zolang we alle twee maar konden vertrouwen op de structuur.
Geleidelijk ontstond er zo rust om beter naar elkaar te kijken. Wie die ander was, in dit huis. Bert keek naar mij zoals ik naar hem keek, met belangstelling.
Elkaar leren kennen tijdens het spelen was het ene.
Het andere was aaien en praten. Bij elkaar liggen. Samenzijn.
Er kwamen avonden dat we boven op het grote bed lagen, in het schemerlicht van een nachtlampje. Op die avonden begon ik te ervaren dat Bert kon luisteren.
– Kijk Bert, dat schemerlampje, dat heb ik voor Tim gekocht, dan voelde hij zich geruster.
Bert keek kalmpjes in de richting die ik aanwees.
Ik vertelde verder. Over de oude dag van Tim, zijn onzekerheid, dat ik hem hielp.
– En ik help jou ook Bert, altijd, wat er ook gebeurt.
Aaien en knorren.
Het moedigde me aan om meer over Tim te vertellen. Hoe anders hij was geweest en dat anders zijn ook goed was:
– Jij bent weer groot van postuur en wollig in je vacht, en dat is ook mooi.
En ik vertelde over het asiel waar Tim uit kwam, en hoe ook hij moest wennen en het spelen dat hij deed, en dat hij een trauma had van heel vroeger:
– Dus dat mag Bert, je mag gewoon zijn zoals je bent, daar hou ik rekening mee.
Het waren avonden waarop we elkaar nader kwamen, we elkaar beter leerden begrijpen. Bert luisterde naar wat ik zei en hij voelde daardoor hoe ik was, wat er in mij was. En ik vond troost in zijn luisterende aanwezigheid, door te kunnen praten over Tim, en daarbij af en toe te kunnen kijken naar het vriendelijke gezicht van Bert.
Ik sliep erna altijd goed. Bert ook.
Op de slaapkamer staat een king size bed, en daarbij hoort dus een king size matras en daaroverheen past een king size hoeslaken. Altijd een gedoe om dat te vervangen, maar gelukkig hielp Bert graag mee, als het hem even uitkwam.
Na de lente komt de zomer en die zomer heeft soms een hittegolf. Dat is een moeilijk iets. De Hollandse huizen zijn er niet voor gebouwd en de mensen die in zo’n huis wonen kunnen er evenmin tegen.
Bert was gelukkig als hij lekker te eten had en ik was gelukkig als Bert lekker at, en als een logisch gevolg van deze gevoelsdynamiek kocht ik het ene lekker hapje na het andere.
Nog in het asiel, kijkend naar de grote kater die Bert was, stelde ik uit zelfbehoud de vraag: ‘Maar wat doet hij als hij iets echt niet wil?’