Categorie archieven: Mevrouw Bert

Een kater met stramme pootjes (22)

Bert was in de kracht van zijn leven, nog maar iets ouder dan tien jaar, toen me begon op te vallen dat hij wat veranderde. Als het regende, lag hij lang in zijn mand, en was er met vleien en knuffels niet uit te krijgen.

Ook zag ik dat het traplopen anders was. Zijn gewone springerigheid die hem altijd op een hertje deed lijken, had plaats gemaakt voor een bedachtzame manier van trede voor trede afgaan. Soms keek hij me moeilijk aan.
Ik herkende het. Artrose. Precies wat mijn vorige kater Tim ook gehad had. En dan is het tijd voor pijnstillers. Bij de dierenarts kocht ik Onsior, naar ik las het minst belastend voor de nieren, en ’s avonds vijzelde ik een pil fijn, verborg het in een hapje en serveerde het als feestmaaltijd. Hij at knapte op. Meteen vond ik dat de artrose nu eigenlijk niet meer bestond.
Toch kwam het terug.
Bert liep strammer.

De eerste avond dat hij het avondhapje met Onsior niet lustte, presenteerde ik het van mijn vingers. Lauw, langzaam, liefe woordjes, het ging. De tweede avond dat hij wegkeek van het schoteltje, had ik een voorraad blikjes en hapjes opgebouwd zodat ik aantrekkelijke smaken kon aanbieden.

Bert nam de artrose op als een feit des levens.
Regende het, dan sliep hij.
Langzaam op de trap was ook op de trap.
Kon hij moeilijk eten, dan at hij gewoon wat minder.

En ik stelde het leven samen bij. Meer aaien, voor de gelukshormonen en tegen de pijn. Oorzalf in huis ingeval hij echt te weinig at. Andere brokjes voor de mobliteit. We probeerden Solensia, het wondermiddel dat per injectie een maand pijnvrij zou brengen, maar Bert ging er dusdanig raar van uit zijn ogen kijken, dat ik wist: dit niet meer. CB-olie lustte hij niet.

Het moeilijke van artrose was voor Bert het ongemak en voor mij het weten dat ik dit niet van hem kon wegnemen. Alleen verzachten. Dat deed ik dan ook. Kussens, dekens, mandjes, de huiskamer werd een halve ziekenboog. In mezelf had ik verdriet dat Bert niet meer ’s morgens over de trap rende naar de slaapkamer, ik had zijn pootjes zo gezellig horen roffelen altijd, dat geluid waardoor ik wist dadelijk zie ik zijn kop, nog even en ik kan hem weer aaien en hij mij. Dat was voorgoed voorbij, ook al wilde ik het niet, ik wilde het vasthouden, dat hele gezellige van ons samen.

Maar nu wist ik, hij is beneden, wegens zijn stramme pootjes, dus nu hoort hij mij over de trap komen en hij weet, dadelijk komt de knuffel, dan is ze er weer.

Zo deden we het dan maar, ons samen concentreren op wat er allemaal wel kon, en dat was best veel, en het was ook best goed, al moest het nu allemaal op een andere manier.

Bert en het vraagstuk van dement of niet (20)

Naarmate de jaren verstreken, kreeg Bert meer zelfvertrouwen. Hij durfde een eigen mening te hebben en die ook te verkondigen via lang en hardop miauwen. Soms had ik wel de indruk, dat hij zich zo luid en duidelijk liet horen alleen omdat het kon. En misschien omdat hij altijd antwoord kreeg.

– MEEWW
– Wat is er, Bert?
– MEEWW
– Bert?
– MEEWW
– Wil je knuffels, wil je een snack, wil je spelen, wil je aandacht, wil je dat ik erbij kom liggen, wil je dat ik ook even in de straat kijk, wat wil je?
– MEEWW
– Nou ga ik verder werken hoor.

Huisbezoek

En tien minuten later voerden we hetzelfde gesprek. Zwijgen wanneer hij wat zei, dat kon ik niet. Ik was altijd benieuwd wat hij te melden had. Ook ’s nachts werd ik soms wakker van een luide miauw in de slaapkamer. Al was een gestoorde nacht wat moeilijk, het bleef iets gezelligs hebben.
Ik zag dus geen reden tot zorg. Dat veranderde na het bezoek aan huis van de dokter.
Ja, aan huis. Vanwege zijn angstklachten was huisbezoek het beste. Alleen in nood gingen we in de taxi naar de praktijk en nu was er geen nood, alleen tijd voor de jaarlijkse vaccinatie. Voor de zekerheid zou er ook bloed afgenomen worden, en dus kwam er een dokters-assistente mee.

Het werd natuurlijk een moeilijke toestand. Bert vasthouden – ik voelde me schuldig – de naald in zijn lichaam – Bert spartelde – dan het buisje rood zien vullen – weer los.

Ik voelde me opgelucht dat het voorbij was.
De dokter en de assistente keken tevreden.
Maar Bert was boos.

Commentaar

Hij besloot de huiskamer vol vrouwen te verlaten en liep in zijn waardigheid van katerman op leeftijd rustig en vastberaden naar de trap die naar de slaapkamer leidde.
Even nog keek hij om. En hij gaf luidkeels zijn commentaar op de gang van zaken:
– MEEWW
– MEEWW
– MEEWW

“Sorry Bert,” zei ik.
De assistente zei: “Hij is dement.”
Ik zei: “ Oja?”
Bert keek nog even diep verontwaardigd voordat hij uit de kamer verdween. Hij, dement? Zo goed bij als hij was niemand van zijn leeftijd, vond hij.

Later op de avond was alles weer gewoon. We lagen samen op zijn matje en bespraken de situatie. Dat miauwen heette ook wel vocaliseren, iets dat inderdaad voorkwam bij demente katten. Maar ook al was hij ouder en miauwde hij hard, dan was hij nog niet dement, legde ik uit.
“Wat vind jij, Bert?”
– MEEWW

We waren het eens.

Hoe Bert weer op de rit kwam (19)

Naar de dokter gaan met Bert was altijd een zwre gang, zowel voor hem als voor mij. Hij wilde er niet heen, hij vond in de taxi reizen naar en ik vreesde altijd het ergste.
Maar soms moest het toch.

Signaal

Bert was al een paar dagen te lang vreemd hangerig toen ik het ‘even aanzien’ niet meer uithield. Hij at te weinig, hij dronk te veel, hij keek zo raar naar me, er was iets mis. Toen hij zich terugtrok achter de kastjes in de huiskamer, hield ik het niet meer. Dat was altijd het alarm-signaal voor me.
“We gaan Bert,” zei ik en we gingen.

Op de rit

De dokter nam bloed af en Bert en ik moesten in de wachtkamer de uitslag afwachten. Het goede nieuws stelde me meteen gerust: geen nierziekte. Dat had Tim gehad, de kater voor Bert. En Bert was nu ook 13 jaar, net als Tim bij die diagnose.
Dus ik keek blij, de dokter nog niet.
“Hij heeft een lichte alvleesklierontsteking,” zei ze. En ze zei ook iets over hoge cijfers zus en zo en beginnende suikerziekte.
Dat was foute boel, wist ik meteen, en ik zag meteen een lijdensweg voor me, kort of lang, alles even ellendig.
“We kunnen hem weer op de rit krijgen,” hoorde ik nog. Die uitdrukking bleef me lang bij. In de taxi vroeg ik aan Bert of hij het snapte. Ook niet. Evenmin als ik.

Maar er was plan van aanpak en dat werkte:

  • Cerenia tegen de misselijkheid
  • Onsior tegen de pijn
  • Licht en voedzaam eten
  • Extra aaien voor de geruststelling

Ik kocht overal pakjes en zakjes en blikjes, alles waarvan ik dacht dat lust hij. Nieuwe brokjes. Extra hapjes. De cerenia vijzelde ik fijn en serveerde ik vermengd met Gourmet kip op mijn mooiste servies.
Maar in de keuken had ik een noodplan klaargelegd. Per dag wist ik welke dierenarts dienst had en ook tot hoe laat en ik had contant geld voor de taxi’s klaarliggen; ingeval van stress vergeet ik de pincode nogal eens.
Ik moest van mezelf extra gaan wandelen om kalm te worden en te blijven.

In deze situatie bleek weer eens het geweldige karakter van de kater in kwestie. Hij nam het zoals het was. De hapjes at hij. De nieuwe brokjes ook. Dat er minder snacks kwamen, was even wennen en daarna weer het nieuwe gewoon.
Bij het volgende bloedonderzoek bleken de suikerwaardes gedaald. En die alvleesklier was iets chronisch, dus Bert moest blijvend licht verteerbaar eten, wat Onsior en Cerenia op voorraad was een goed idee. Van de weeromstuit ging ik hamsteren zodat we weken, ofwel maanden, vooruit zouden kunnen en dat konden we al snel.

De blik

Eerlijkheidshalve moet ik hier noteren dat ik dit alles graag met Bert wilde bespreken, maar dat ging niet. In de jaren van samenzijn had hij een speciale blik ontwikkeld voor gesprekken die hem niet aanstonden, dat was de blik van “Nee hè, niet dat.”
Dus zo leerde ik weer iets over de situatie nemen zoals het was, zelfs al stormde het van binnen want dat deed het,  ook al was Bert inderdaad weer op de rit.

Hoe Bert kon troosten (17)

Wanneer een asiel-kater een thuis vindt bij een vrouw, is het voor beiden een proces van wennen en op elkaar afstemmen. Bert had spanningen en moest veel spelen. Ik had verdriet om mijn vorige kater Tim en moest veel huilen. Dat combineerde niet.

Spelen

Of beter gezegd, dat combineerde in het begin niet. Bert en ik vonden geleidelijk een weg om hierin met elkaar om te gaan.
Ik structureerde het spelen van Bert in: elke ochtend en elke avond, zo lang als hij wilde en ik keek op de klok want ik wist, gemiddeld wil hij 15-20 minuten. Daardoor hield ik wat greep op de tijd en ik wist, tussendoor spelen kan ook. Want ik had ook nog een eigen bedrijf te leiden, ik was kostwinner voor ons beiden. Dus, spelen kon. Alleen ’s nachts weigerde ik. Er waren grenzen.

Warm

Dat ik verdriet had, kon Bert op zijn beurt min of meer verdragen. Moest ik huilen, dan mocht ik mijn gezicht in zijn vacht duwen tot de plekken in zijn vacht te nat werden. Na het huilen kwam het stille verdriet, en dan bood Bert zijn grote warme lichaam aan als troostende nabijheid.
Zelf vond ik het niet eerlijk tegenover hem. Al dat verdriet, hij had recht op een vrolijke vrouw. Maar verhelpen kon ik het niet, al ging ik wel vaak fietsen om dan het verdriet toe te laten. Kwam ik thuis, dan keek hij me onderzoekend aan en wist genoeg. Tijd om samen te liggen en zacht te aaien.

Hoekje

Het gebeurde allemaal met een grote vanzelfsprekendheid, die me nu verwondert. Dat Bert met zijn angstklachten zo goed was in de emotionele zorg. Dat hij precies begreep wat ik nodig had oen ook in staat was die troost te geven.
Geleidelijk verdween het verdriet om Tim, of nee, dat was anders, het verdriet vond onderdak in een hoekje van mijn hart, waar het nog steeds is. Niet alles gaat over.

Troost

En nu is Ollie er, die helemaal niet kan omgaan met verdriet, hij zit nog zo in de knoop met zichzelf dat hij nodig heeft dat ik elke dag hetzelfde ben. Dat ben ik ook, min of meer, dat wil zeggen alleen binnenshuis.
Buitenshuis denk ik aan Bert, er komen tranen, en ook is er een echo van de liefde die we deelden, en zijn vermogen tot troosten vervult me opnieuw met een zachte vreugde, net als toen.

Hoe Bert de monteur uit huis kreeg (15)

Bert en ik vonden geleidelijk een ritme van gewone dagen en gewone weken en die vormden zich vanzelf tot een gewoon leven, waarin de tijd min of meer stil leek te staan. Elke dag leek op de vorige, al zei ik ’s morgens tegen hem hoe de dag heette en wat het plan was.
De dag had een andere naam. Het plan was elke dag hetzelfde. Knuffels en samenzijn.
In het weekend kwam er de wiekentsnek bij.

Monteur

Maar de rust van het gewone kon akelig verstoord worden door het bezoek van een monteur. Vrijwel zonder uitzondering was dat een man met een harde stem en met harde stappen, die daarbij nog eens de boel hier flink ontregelde. Kwam de monteur voor de CV-ketel, die boven in de berging hing, dan was er chaos.
Bert snapte niet waarom de monteur wel en hij niet in de berging mocht.
En hij vond het ook hinderlijk dat ik van boven naar beneden ging om de waterkraan uit en aan en dan weer uit en aan te doen. Die onrust, nee.

Overloop

Er kwam een dag dat hij niet meer bang onder de tafel bleef zitten. Die dag zag ik een andere kant van hem. Deze monteur was net als de anderen wat te luidruchtig aanwezig geweest. Nu stond hij in de huiskamer de administratie te doen, er waren papieren die ik moest tekenen.
Terwijl ik wachtte, zag ik Bert onder de tafel uit komen lopen met een dreigende houding. Hij keek naar de monteur. Stap voor stap naderde hij de monteur die argeloos op de papieren keek.
Zelfvertrouwen verdient steun.
Ik pakte het koffertje van de monteur en zei: “Dit gaan we afwikkelen op de overloop” en liep erheen, gevolgd door de verbaasde monteur.

Groot

Toen ik weer in de huiskamer terugkeerde, zat er een kater op het tapijt, die zich tien keer groter was gaan voelen. Hij had de monteur uit huis gejaagd. Hij kon zoiets. Hij was een belangrijke jongen die op het huis en zijn vrouw paste. De hele dag was Bert anders, sterker, zelfs zijn spinnen leek wat harder dan anders.
En ik wist, er komt altijd een volgende monteur, maar dan zou Bert er beter tegen opgewassen zijn. Misschien moest ik zelfs even waarschuwen bij de woningbouwstichting, dat hier een gevaarlijke kater woonde die snel genoeg had van herrie.