Bert was in de kracht van zijn leven, nog maar iets ouder dan tien jaar, toen me begon op te vallen dat hij wat veranderde. Als het regende, lag hij lang in zijn mand, en was er met vleien en knuffels niet uit te krijgen.
Ook zag ik dat het traplopen anders was. Zijn gewone springerigheid die hem altijd op een hertje deed lijken, had plaats gemaakt voor een bedachtzame manier van trede voor trede afgaan. Soms keek hij me moeilijk aan.
Ik herkende het. Artrose. Precies wat mijn vorige kater Tim ook gehad had. En dan is het tijd voor pijnstillers. Bij de dierenarts kocht ik Onsior, naar ik las het minst belastend voor de nieren, en ’s avonds vijzelde ik een pil fijn, verborg het in een hapje en serveerde het als feestmaaltijd. Hij at knapte op. Meteen vond ik dat de artrose nu eigenlijk niet meer bestond.
Toch kwam het terug.
Bert liep strammer.
De eerste avond dat hij het avondhapje met Onsior niet lustte, presenteerde ik het van mijn vingers. Lauw, langzaam, liefe woordjes, het ging. De tweede avond dat hij wegkeek van het schoteltje, had ik een voorraad blikjes en hapjes opgebouwd zodat ik aantrekkelijke smaken kon aanbieden.
Bert nam de artrose op als een feit des levens.
Regende het, dan sliep hij.
Langzaam op de trap was ook op de trap.
Kon hij moeilijk eten, dan at hij gewoon wat minder.
En ik stelde het leven samen bij. Meer aaien, voor de gelukshormonen en tegen de pijn. Oorzalf in huis ingeval hij echt te weinig at. Andere brokjes voor de mobliteit. We probeerden Solensia, het wondermiddel dat per injectie een maand pijnvrij zou brengen, maar Bert ging er dusdanig raar van uit zijn ogen kijken, dat ik wist: dit niet meer. CB-olie lustte hij niet.
Het moeilijke van artrose was voor Bert het ongemak en voor mij het weten dat ik dit niet van hem kon wegnemen. Alleen verzachten. Dat deed ik dan ook. Kussens, dekens, mandjes, de huiskamer werd een halve ziekenboog. In mezelf had ik verdriet dat Bert niet meer ’s morgens over de trap rende naar de slaapkamer, ik had zijn pootjes zo gezellig horen roffelen altijd, dat geluid waardoor ik wist dadelijk zie ik zijn kop, nog even en ik kan hem weer aaien en hij mij. Dat was voorgoed voorbij, ook al wilde ik het niet, ik wilde het vasthouden, dat hele gezellige van ons samen.
Maar nu wist ik, hij is beneden, wegens zijn stramme pootjes, dus nu hoort hij mij over de trap komen en hij weet, dadelijk komt de knuffel, dan is ze er weer.
Zo deden we het dan maar, ons samen concentreren op wat er allemaal wel kon, en dat was best veel, en het was ook best goed, al moest het nu allemaal op een andere manier.
Naarmate de jaren verstreken, kreeg Bert meer zelfvertrouwen. Hij durfde een eigen mening te hebben en die ook te verkondigen via lang en hardop miauwen. Soms had ik wel de indruk, dat hij zich zo luid en duidelijk liet horen alleen omdat het kon. En misschien omdat hij altijd antwoord kreeg.
Naar de dokter gaan met Bert was altijd een zwre gang, zowel voor hem als voor mij. Hij wilde er niet heen, hij vond in de taxi reizen naar en ik vreesde altijd het ergste.
Wanneer een asiel-kater een thuis vindt bij een vrouw, is het voor beiden een proces van wennen en op elkaar afstemmen. Bert had spanningen en moest veel spelen. Ik had verdriet om mijn vorige kater Tim en moest veel huilen. Dat combineerde niet.
Bert en ik vonden geleidelijk een ritme van gewone dagen en gewone weken en die vormden zich vanzelf tot een gewoon leven, waarin de tijd min of meer stil leek te staan. Elke dag leek op de vorige, al zei ik ’s morgens tegen hem hoe de dag heette en wat het plan was.