Alle berichten van mevrouw Bert

Het boek over Bert


‘Hoe gaat het met het boek over Bert?’ Dat is in de maak en het groeit elke dag. De ene keer is het gemakkelijk, als ik aan de beginjaren denk. De andere keer weet ik wat er op de laatste bladzijden gaat komen, dat zijn de moeilijke dagen. Maar het gaat om het geheel en dat wil ik graag bewaren.

Hoe

Alleen hoe bewaar je een leven samen van negen jaar lang? Moet echt alles er ook in, de kleine en grote momenten? Een dag alleen al precies beschrijven zoals het was, kan een boek opleveren van zo’n duizend pagina’s en dat is niet de bedoeling. Dan verdwijnt het zich op wat er werkelijk gebeurde, hoe Bert en ik elkaar tegenkwamen en een leven leerden delen, en over de liefde die er tussen ons groeide.
Dat is het verhaal. Kort gezegd.
Misschien is het een verhaal zoals het zich elke keer ontvouwt tussen een mens die een nieuw dier verwelkomt, dat weet ik niet zeker. Wel dat het tussen Ollie en mij ook zo gaat en toch anders, op een eigen manier die me onbekend was.

Het plan

Mijn plan is nu dat ik me nu helemaal op het boek ga richten, dat moet dit jaar nog af en uit. Het betekent dat ik stop met de wekelijkse herinneringen aan Bert. Dat moet niet door elkaar gaan lopen en ik voel dat het nu tijd is.
Bij dat gevoel zit enige schrik en wat schuldgevoel. Of ik hem in de steek laat, of ik mezelf toesta hem te vergeten, of ik ontrouw raak aan alles wat er was. Dat zegt me dat er een nog steeds voortgaand rouwproces is. Misschien blijft het ook zo.
De stukjes blijven natuurlijk online staan. De stukjes van Bert zelf ook.
Straks is er een boek, als het allemaal lukt.
En daarbij, Bert is deel van mij, deel van mijn hart. Dat blijft zo helemaal.

Bert en de supersnelle scheerbeurt

Achter de stapel tijdschriften die om de een of andere reden op de koelkast ligt, vond ik deze week een doosje. Klein. Het kwam me vaag vertrouwd voor, dus ik opende het nieuwsgierig.

Er lag een vreemd stukje lichtbruine vacht in, ietwat oranje. Ik herkende het meteen, een klit uit de vacht van Bert, die ik had opgeborgen en daarna vergeten. Hier in huis vind ik af en toe iets van hem terug, een tijdje terug zag ik ergens een buisje liggen met de tanden van zijn eerste tandenoperatie. Ik nam alles mee terug van de dierenarts, behalve geknipte nagels. Die vergat ik.

Toen Bert bij me kwam wonen, als jonge katerman, had hij een heerlijke dikke wollige vacht, zelfs na het verharen voor de zomervacht bleef het zo dik dat ik er diep mijn vingers doorheen kon laten gaan. Dat deed ik dus ook, langzaam en lang aaien vonden we alletwee het fijnste. Lag hij met zijn vacht voor de ventilator, dan waaiden de haren alle kanten op, waardoor hij oogde als een Main Coon, wat hij zo graag wilde zijn. Dat grote geweldige kattenras.
Ik had geen idee dat juist die vacht later voor zulke problemen zou zorgen.

Zoiets gaat geleidelijk. Het was na Berts zestiende verjaardag dat ik tijdens het aaien in zijn vacht een hard stukje aantrof.
– Wacht even Bert
Hij lag stil. Ik mocht aan het harde stukje friemelen. Haartjes bij elkaar, dat had ik niet eerder gezien. Ze waren een beetje losser, toen Bert onrustig bewoog.
– Dan stop ik hoor.
Maar het harde stukje was er nog steeds.
Elke avond, wanneer we samen op het matje lagen, probeerde ik tijdens het aaien weer wat haartjes los te friemelen. Het mocht altijd eventjes.

Eventjes was niet genoeg.
Terwijl het ene eerste stukje een heel klein beetje losser werd, voelden mijn voorzichtige vingers wat andere harde stukjes. Klitten, meervoud.
Ik kocht een klittenkam.
Hij wilde het niet.
Een borstel.
Nee, keek hij.
Een andere borstel.
Mocht evenmin.
Er was dus een probleem ontstaan.

Wat te doen? De beste trimsalon zat bij de dierenarts in de kliniek, dat kon dus niet want Bert was bang in de taxi. Iemand in huis laten komen kon, maar elke trimster bracht een tafel mee en daarvoor hadden we geen plaats.
De oplossing lag in de klitten wegknippen.
Na het begin-knipje keek Bert zo verstoord, dat ik alle voornemens tot zelfdoen meteen opgaf. Ik wist toen ook wat de oplossing was.

De dierenarts is toen nog geen vijf minuten binnen geweest. Bert in een handdoek, opgetild, zzzzzz deed het scheerapparaat, Bert weer neergezet en dat was het.
Een blotebuikplek.
Maar geen klitten meer op Bert. Die avond was het aaien weer als altijd, rustgevend en ontspannend.

Hoe Bert en ik de rust van de avond vonden

Het merkwaardige is, van Bert heb ik zo enorm veel foto’s, en toch ontbreken er beelden in die verzameling. Ik heb in huis op een paar plaatsen een toestel liggen en dan is er de smartphone nog, dus ik begrijp niet waarom ik geen beeld heb van Bert die op het krukje ligt, naast me aan mijn werktafel. En dat juist terwijl het aanvankelijk niet de bedoeling was dat hij er lag.
Maar hoe gaan die dingen.
Als volgt.

Krukje

In de eerste maanden dat Bert er was, ging het met mijn gezondheid wat minder. Dat kwam door de rouw om Tim, weet ik nu. Het verdriet zorgde voor een sterke fysieke reactie en, lang verhaal kort, na een spataderoperatie moest ik de benen wat hoger neerleggen.
Bij Xenos kocht ik een rotan krukje en zette het onder mijn werktafel. Geregeld.

Er kwam snel een avond waarop ik merkte dat het krukje bezet was. Bert had zich in de kleine ruimte tussen krukje en tafel gewurmd. Hij keek terug toen ik onder de tafel keek. Ik vond het geen doen, zo in het halfdonker, dus ik zette het krukje naast me, met daarop een kussen.
Voor mezelf kocht ik een tweede krukje.

Zacht

De locatie en het kussen bevielen Bert gelukkig. Hij lag er half opgerold, met net genoeg ruimte om te doezelen en wat te slapen. En in al zijn onzekerheid vond hij het ook een overzichtelijke plek, hij kon de kamer overzien en zag en hoorde ook wat ik aan het doen was: zitten aan de werktafel, lezen en schrijven. Het typen maakte kleine geluiden, die kon hij aan.
Vooral ’s avonds merkte ik dat we een nieuwe gezelligheid hadden verworven. Schemerlicht in de kamer, geen getelefoneer, weinig overdag-geluiden uit te straat, we hadden weldadige uren waarin we alle twee voelden wat het samenzijn betekende.
Soms keek ik opzij naar de slapende kater, legde mijn hand op zijn warme vacht en zei zachtjes: “Gezellig hè, Bert.”
– Meww.
Een kleine miauw, vaak gevolgd door even knorren en verliggen. Ik keek ernaar, en als hij weer wegdoezelde, schreef ik verder.
Zachte weldadige uren.
Het krukje staat er nog. Als blijvende herinnering en ook in de hoop dat Ollie het gezellig gaat vinden.

Hoe Bert leerde durven

Nu ik terug kijk op de tijd die Bert en ik samen deelden, verbaast het me hoe moedig hij de eerste weken was.

Want hij kwam met serieuze angsklachten uit het asiel, met de aantekening dat hij beslist een rustig huis moest. Dat was hier. Ik ben tamelijk saai, dus dat kwam ook goed uit. Ik schrijf en ik lees, veel meer deed ik toen niet thuis.
Evenzogoed was het een enorme verandering voor hem. Misschien juist daardoor. In het asiel waren ook andere katten, er waren meerdere verzorgsters, er was gelegenheid tot op de achtergrond blijven en situatie voor situatie te bestuderen.
Hier was het meteen hij en ik, en we moesten het met elkaar zien te rooien.

Misschien was het daarom, dat Bert ’s nachts het meeste leerde. Van zichzelf, van hoe ik was, van wat hij kon en mocht doen zonder dat er iets moeilijks gebeurde.
In de nacht kon hij het huis verkennen en dat deed hij, terwijl hij de eerste tijd overdag het liefste in de huiskamer bleef. Dat was overzichtelijk.

Ik sliep in de tijd onrustig en licht, dus ik werd vanzelf wakker van het tipperditaptap-geluid van poezenpootjes in de slaapkamer.
– Bert, ben jij het?
Soms bleef het stil. Dan sliep ik weer verder.
Op andere momenten k;oml er een mewww. Er waren nachten dat hij zomaar – of desgevraagd – op bed sprong, mij zag liggen, overwoog even geaaid te worden en dan sprong hij weer weg, naar beneden.
Bert oefende met dichterbij komen, lichamelijk en emotioneel.

’s Nachts hoefde hij niks. Dan stelde ik geen vragen over op schoot komen of erbij liggen. Ik was slaperig. Of ik ging naar de wc, heen en terug, ook overzichtelijk. Maar wel gspannend. Meestal schoot hij weg, als ik eraan kwam, naar de veilige ruimte achter de kastjes.
Er kwam een nacht dat ik door de huiskamer banjerde en Bert zomaar op het tapijt bleef liggen. Ik stapte over hem heen, alsof het niet een blijk van vertrouwen was.
Weer boven in bed lag ik er even wakker van, net zoals hij vermoedelijk beneden een wat harder kloppend hart had gevoeld. Dichterbij, vertrouwen laten zien, we waren op de goede weg, en dit gebeurde al in de eerste maanden.

Langzaam gaan, dachten we alletwee, dan lukt het samenzijn misschien.

Bert en ik een jaar later

Deze week was het een jaar geleden dat Bert over de Regenboogbrug ging, om daar eindelijk weer gezond te zijn, in het gras te gaan liggen, de warme zon op zijn vacht te voelen en te wachten tot ik ook kom.
Dat beeld hou ik voor ogen.

Een jaar alweer, waar blijft de tijd.
Tegen mezelf zeg ik: “Ben je er nou nog niet overheen?” En ook zeg ik: “Het verdriet duurt zolang het duurt.”
En het duurt nu nog steeds, ook al deel ik nu het dagelijks leven met Ollie, die hier ook alweer elf maanden is. Ja. Waar blijft de tijd.

Er valt iets voor te zeggen om alle herinneringen weg te duwen, met kracht te onderdrukken, omdat elke herinnering een einde heeft gekregen en dat was er toen niet. Net zoals ik nu bij elk kopje dat Ollie geeft verwacht dat er een volgend kopje zal zijn, en ik dit ene dus niet helemaal en totaal hoef te onthouden, zo was dat destijds tussen Bert en mij ook. Ik verwachtte altijd een volgende dag, een nieuwe ochtend, een vervolg van het heerlijke gewone leven samen dat we hadden.
Dat het eindig was, wist ik eerder met mijn verstand dan met mijn gevoel. En ik sta rationeel in het leven, behalve als het over poezen en katers gaat. Dan overheerst de emotie.

Het lijkt nog pas gisteren, dat Bert en ik samen waren. Of ik alleen maar door een deur hoef te gaan en alles is weer gewoon. Maar ik kan die deur niet vinden.
Tegelijkertijd lijkt het een eeuwigheid geleden.

Wat ik doe, is de herinneringen bewaren. De afgelopen maanden spitte ik logboeken door met aantekeningen, schreef ik stukjes voor Saame.nl en werkte ik aan het boek over Bert en ik samen. Dat komt en ik laat het dan ook weten.
Het is een vorm van bewaren, dat schrijven over hem. Omdat ik niet bereid ben en nooit bereid zal zijn, Bert te vergeten. Maar ook omdat ik wil weten hoe dat toch kon, dat er zo’n grote liefde ontstond. Hij kwam met ernstige angstklachten uit het asiel, ik was in de rouw over Tim, en toch vonden we elkaar, of misschien juist. Daar zal het boek over gaan, heb ik in de afgelopen tijd ontdekt. Over die grote liefde.