Briesend staat ze achter het kattenluik. ‘Waar blijven jullie nou,’ sist tante Cato, ‘Mo is in alle staten.‘ ’Maar het is nog donker’, sputter ik. ‘Je weet toch dat ze vandaag heel vroeg weg moet voor haar werk.
Ze is ongerust dat ze Foppe de hele nacht niet heeft gezien.’ Dat klopt wil ik zeggen, we waren saame hartstikke leuke dingen aan het doen. Dat is al maanden niet gelukt. De blik in de ogen van mijn tante zegt dat ik beter m’n bek kan houden. Ze tuurt achter me of ze mijn broer ziet. Die is nog even een klusje aan het afmaken, weet ik. Als ik de situatie zo bekijk kan ik hem beter gauw gaan halen.
Op pad

Mo draait net de deur op slot als Foppe komt aangerend. Hij wordt binnengehaald als een lang verloren gewaande zoon. Met natte ogen doet ze onze voerbakken bomvol. Dat is een extra katdootje na onze tofste nacht in heel lange tijd. Ik neem mezelf voor dat ik de kerkklok aan het eind van de straat voortaan beter in de gaten zal houden, als we weer Saame op pad gaan. Nu gaan we eerst eten en lekker lang dutten.
Het is al donker als ze eindelijk thuis komt van werk. Met een mok dampende thee kruipt ze op de bank, het blik snackjes onder pootbereik. Zo fijn dat ze niet zuinig is met uitdelen, ook al hebben we net gegeten. Later liggen we met zijn allen moe èn voldoen bij haar uit te buiken. Tante Cato aan de ene kant, Foppe op schoot, ik aan de andere kant. Zachtjes streelt ze zijn volle, glanzende vacht. ‘Weet je, Foppe’, begint ze. Ik spits mijn oren. Dit zou wel eens interessant kunnen worden. ‘Morgen is het Dierendag. Als het nou echt goed gaat met jouw buik kunnen we misschien een keertje van die lekkere kip uit blik proberen.’
Het water loopt me in de bek. Kip, ik kan me niet heugen wanneer we dat voor het laatst hebben gegeten. Ze aait rustig verder, terwijl ze vertelt over een gesprek dat ze eerder met witjas had. Die volgt de ontwikkelingen van mijn broer op de poot. Dat hoort erbij als je de eerste kat bent in de praktijk die poep van een andere kat krijgt.
Twijfels

Ik begrijp dat er eerder twijfels waren of ze wel verder moesten gaan. Foppe had zo’n enorme knauw gekregen van de eerste behandeling. Dat willen ze hem (en ons mens) niet nog een keer aandoen. Een tweede poeptransplantatie zou alleen zinvol zijn als hij zou opknappen. Het bijzondere is dat opeens alles veranderde toen ons mens hem dat uitlegde. Drie dagen later beloonde hij Mo met de mooiste drol die hij in jaren heeft gedraaid. Dat hij het kattengrit door de hele gang had gezwiept vond ze niet eens erg. Dat is nu een week geleden. En morgen is het Dierendag en krijgen we kip als Foppe het kunstje nog een keer doet.
Weer zijn we het hele donker saame op pad. Ruim voor het ochtendgloren gaan we richting huis. Dat heb ik tante Cato plechtig beloofd. Ik kan mijn broer net op tijd aan zijn staart trekken als hij zijn behoefte wil doen. ‘Niet hier,’ fluister ik, ‘doe het nou voor één keertje op de plastic plasdoos. Je weet wat Mo beloofd heeft.’ Katzijdank begrijpt hij de hint.
De kip smaakt ons alle drie F U R R U K K E L L U K.
Koppie van Japie



Miauw lieve furriendjes, wat ons pas toch is overkomen….
Katdo
ons te wonen, in het huis van mijn grijze sterrenvriend Berdus. Mijn mens kwam er pas achter toen de verhuiswagen voor de deur stond.
Of ik kan het hebben over mijn contact met een watersalamander die pendelt tussen de schuur en het drooggevallen vijvertje in de achtertuin. Salamander is een meowsgierig aagje, die in de deuropening blijft zitten als er iemand heen en weer loopt. We zijn aan het uitvogelen in welke taal we elkaar het beste begrijpen. Want ik zou wel willen weten hoe je als Watersalamander je zwemdiploma haalt als er geen water is.

