Categorie archieven: Japie

Japie: veel soorten nieuw

Japie en Foppe kijken naar de nieuwe ster

Deze week leerde ik dat nieuw meerdere betekenissen kan hebben. Door de poep van poes Nova zijn de kapotte darmen van mijn broer weer als nieuw. Zijn ziekte gaat er niet door over, maar door de goeie beestjes is zijn buik nu eindelijk rustig. Hij voelt zich herboren sinds de transplantatie en haalt weer kattenkwaad uit. Reden voor een feestje, dachten we.
Maar terwijl mijn broer zich steeds beter voelt, voelt zijn moeder zich langzaamaan steeds slechter. Eerst heb ik dat nog niet zo goed door. De afwas die ze voor me laat staan, doe ik met veel plezier. Tot ik al die lekkere hapjes niet meer op krijg.
Het valt me op dat tante Cato op zwabberende poten naar buiten gaat, zodra ze ons mens ziet. Merkwaardig, want ik weet hoe graag ze bij Mo is. Die twee zijn onafscheidelijk. Keer op keer haalt ze haar rustig terug naar binnen. Mo fluistert in haar oortjes dat ze zich aan haar belofte houdt, al vindt ze dat ook heel moeilijk, maar ze doet het echt! Ik begrijp niet zo goed wat die belofte inhoudt, maar daar kom ik gauw genoeg achter.

Belofte

Tante Catootje

Ik hoor mijn mens tegen tante Catootje praten. Dat het goed is, dat ze binnen veilig is, dat ze alles kan eten wat ze maar wil en dat er ècht niets in verstopt zit. Want dat heeft ze vorige zomer beloofd! ‘We doen het op jouw manier, Toosje. Geen pillen meer, geen gedoe meer, geen dokters meer, behalve om je te helpen met sterven.’ Ik weet nog hoe ze zich toen wekenlang in de schuur verstopte. Ze was zoooooooo bang geworden na het bezoek aan witjas. Ze was nòg banger voor de pillen. De simpele antibioticakuur die haar van een urineweginfectie af zou helpen, werd een afschuwelijk drama. Ze durfde niet meer naar binnen en al helemaal niet meer te eten, bang dat er medicijnen door heen zouden zitten. Ze werd steeds magerder en haar vacht mottiger. Het duurde twee maanden voor ze weer in de buurt van ons mens durfde te zijn.
Toen deed Mo die belofte. Ze sloten de deal dat tante Cato zou aangeven wanneer ze aan haar laatste reis wilde beginnen. Vier seizoenen lang vrat ze als een bootwerker, dronk sloten water en pieste alle plastic plasdozen vol. Was ze echt zo sterk? Of zou ze hebben gewacht tot het goed ging met Foppe?
Daags nadat hij zijn eerste muis in lange tijd mee naar binnen neemt, sluipt een nieuwe verandering ons leven binnen. Het sein springt op oranje: eten kan haar minder bekoren, de kattenbak blijft langer schoon, haar jas begint te pieken. Witjas belt met kattastisch meows over Foppe. Een tweede poeptransplantatie is voorlopig niet nodig. Zijn feestje kan beginnen. Maar dan wordt het code rood. Urenlang graaft ze in de plastic plasdoos, hopt van de ene naar de andere om daar verder te graven. Maar er komt niks. Geen druppel.

Nieuwe ster

Met ingehouden snikken fluistert ons mens: ‘Ik wacht tot jij aangeeft dat het genoeg is, liefje, want dat ik kan niet zo goed inschatten.’ Mo streelde de doffe vacht van tante Cato, terwijl ze liefdevol herinneringen ophaalt. ‘Weet je nog, Toosje, toen we elkaar voor de eerste keer zagen?’ Ik hoor het al, die twee hebben voorlopig genoeg aan elkaar. Ik kan vast wel even een luchtje gaan scheppen. Zo gaat het een paar licht en donkers. Tot ik bij het ochtendgloren thuis kom en voel dat alles anders is. Een spoor van bloeddruppeltjes leidt me naar mijn tante. ‘Het is zover, Japie,’ vertrouwt ze me toe, ‘ik ben er klaar voor. Zorg goed voor elkaar, dat heb ik net ook tegen Foppe gemiauwd, en hou onvoorwaardelijk van je broer èn van Mo. Dat doet zij ook van jullie. Want wat er ook gebeurt, ventje, liefde is altijd het antwoord.’
De oerkreten die Mo uitstoot als ze later met haar ontzielde lijfje thuis komt, gaan door merg en poot. Ik wil wegrennen, maar denk aan de laatste wijze miauws en kruip dicht tegen ons mens. Ze heeft me nodig. Ik haar hart ook. Al hebben we geen idee hoe we verder moeten zonder m’n tante, Saame gaat het ons lukken. Dat heb ik geleerd van al mijn furrienden op de blog.
De hele middag lig ik naast haar op de bank. Hoe weet ik nou wanneer ze een meowe ster is geworden? ’s Avonds wordt het duidelijk. Op het schuurdak wijst Foppe naar die ene fonkelende, die was er gisteren nog niet. Nu weet ik dat ik voor altijd dichtbij haar wil kunnen zijn. Ze ligt begraven onder mijn boom. Dan kan ik over haar waken en in het donker naar haar zwaaien.

“Dag tante Catootje, ik waak over u”

Nieuw fase

Gisteren was mijn nekvelgrijpdag, mijn gotchaday zoals mensen dat noemen. Het was purcies vijf jaar geleden dat ik aan mijn nekvel uit een egelhuis werd geplukt. Speciaal voor deze gelegenheid hebben we een blikje kip bewaard, om mijn eerste lustrum bij de BBB-furmilie te vieren. En dat de buik van mijn broer als nieuw is. De portie van tante Catootje verdelen Foppe en ik eerlijk. We verheugden ons al weken op deze traktatie, maar de nieuwe fase smaakt ons niet.
Koppie van Japie

Japie voelt goede hoop

Briesend staat ze achter het kattenluik. ‘Waar blijven jullie nou,’ sist tante Cato, ‘Mo is in alle staten.‘ ’Maar het is nog donker’, sputter ik. ‘Je weet toch dat ze vandaag heel vroeg weg moet voor haar werk.
Ze is ongerust dat ze Foppe de hele nacht niet heeft gezien.’ Dat klopt wil ik zeggen, we waren saame hartstikke leuke dingen aan het doen. Dat is al maanden niet gelukt. De blik in de ogen van mijn tante zegt dat ik beter m’n bek kan houden. Ze tuurt achter me of ze mijn broer ziet. Die is nog even een klusje aan het afmaken, weet ik. Als ik de situatie zo bekijk kan ik hem beter gauw gaan halen.

Op pad

Foppe ligt veel op schoot

Mo draait net de deur op slot als Foppe komt aangerend. Hij wordt binnengehaald als een lang verloren gewaande zoon. Met natte ogen doet ze onze voerbakken bomvol. Dat is een extra katdootje na onze tofste nacht in heel lange tijd. Ik neem mezelf voor dat ik de kerkklok aan het eind van de straat voortaan beter in de gaten zal houden, als we weer Saame op pad gaan. Nu gaan we eerst eten en lekker lang dutten.
Het is al donker als ze eindelijk thuis komt van werk. Met een mok dampende thee kruipt ze op de bank, het blik snackjes onder pootbereik. Zo fijn dat ze niet zuinig is met uitdelen, ook al hebben we net gegeten. Later liggen we met zijn allen moe èn voldoen bij haar uit te buiken. Tante Cato aan de ene kant, Foppe op schoot, ik aan de andere kant. Zachtjes streelt ze zijn volle, glanzende vacht. ‘Weet je, Foppe’, begint ze. Ik spits mijn oren. Dit zou wel eens interessant kunnen worden. ‘Morgen is het Dierendag. Als het nou echt goed gaat met jouw buik kunnen we misschien een keertje van die lekkere kip uit blik proberen.’
Het water loopt me in de bek. Kip, ik kan me niet heugen wanneer we dat voor het laatst hebben gegeten. Ze aait rustig verder, terwijl ze vertelt over een gesprek dat ze eerder met witjas had. Die volgt de ontwikkelingen van mijn broer op de poot. Dat hoort erbij als je de eerste kat bent in de praktijk die poep van een andere kat krijgt.

Twijfels

mijn broer Foppe

Ik begrijp dat er eerder twijfels waren of ze wel verder moesten gaan. Foppe had zo’n enorme knauw gekregen van de eerste behandeling. Dat willen ze hem (en ons mens) niet nog een keer aandoen. Een tweede poeptransplantatie zou alleen zinvol zijn als hij zou opknappen. Het bijzondere is dat opeens alles veranderde toen ons mens hem dat uitlegde. Drie dagen later beloonde hij Mo met de mooiste drol die hij in jaren heeft gedraaid. Dat hij het kattengrit door de hele gang had gezwiept vond ze niet eens erg. Dat is nu een week geleden. En morgen is het Dierendag en krijgen we kip als Foppe het kunstje nog een keer doet.
Weer zijn we het hele donker saame op pad. Ruim voor het ochtendgloren gaan we richting huis. Dat heb ik tante Cato plechtig beloofd. Ik kan mijn broer net op tijd aan zijn staart trekken als hij zijn behoefte wil doen. ‘Niet hier,’ fluister ik, ‘doe het nou voor één keertje op de plastic plasdoos. Je weet wat Mo beloofd heeft.’ Katzijdank begrijpt hij de hint.

De kip smaakt ons alle drie F U R R U K K E L L U K.

Koppie van Japie

Japie: het lijkt wel een jungle

Voerpuzzel op een plasmat

Vorige keer furtelde ik over ons furmilieberaad en het experiment waar we volbekkig ja tegen miauwden. Dat heb ik geweten. Sindsdien gebeuren er rare dingen. Het kan op puur toeval berusten, maar ik heb zomaar het gevoel dat het een met het ander te maken heeft.
Het begint met voerbakken die verdwijnen. Het ene moment zitten ze vol met lekkers, het andere moment zit er geen kruimel meer in. In het hele huis is geen bakkie meer te vinden. Zelfs de voerpuzzels hebben pootjes gekregen en zijn met de noorderzon vertrokken. In het donker vraag ik de stekels. Hun restaurant is goedgevuld. Jammer dat ik daar niet bij kan. Tenzij ik me in een heel rare bochten weet te wringen. Die tijd heb ik gehad.

Tijger

Mijn broer Foppe wast zich vaak

Het volgende licht verdwijnt Foppe in een hermetisch afgesloten rammelbak. Een dikke handdoek smoort zijn schreeuw om hulp. Tijdens het uitwisselen van tips word ik betrapt en maak me uit de poten. Vanachter het raam zie ik hoe de auto met daarin mijn doodsbange broer wegrijdt. Uren later hoor ik em terugkomen. Vanonder de prikkelbosjes ren ik om het huizenblok heen en dender door het kattenluik. Voor ik kan kijken hoe het met mijn broer gaat, hoor ik uit de badkamer een hels kabaal komen.
Dat was niet de afspraak!
Mo had ons nog zo beloofd dat ze zou waarschuwen als er een klusjesman zou komen.
Ik zoek haar op om te vragen wat die snuiter onverwacht komt doen. ‘Het is geen loodgieter, Japie,’ laat ze weten, ‘wat je hoort is Foppe, die de boel afbreekt. Het slaapmiddel van witjas is uitgewerkt en er is een tijger in hem wakker geworden.‘ Wauw, wie had dat gedacht van mijn brave broer?! Mijn bewondering groeit groter als ze erbij vertelt dat hij eigenpotig zijn rammelbak open heeft weten te breken. Die tips waren dus toch nuttig.
Later tref ik hem ineengedoken in het verste hoekje van een kamer. Waar is die tijger gebleven, wil ik weten. ‘Die is mee met het sop waarmee mijn billen gewassen moesten. Ik kon het echt niet meer ophouden onderweg, Japie. Zo gênant.’ Ik ruik het. Er hangt een walm om hem heen waar je u tegen miauwt. Die donor had geen muis op. Dat weet ik wel. Laat ik daar nou een purrfecte oplossing voor hebben. Eentje die gelijk helpt bij lege voerbakken.

Olifanten

Betrapt

Ook dat nog! Het slot van mijn luik is kapot en geeft voor geen millimeter mee. Zo kan ik toch geen piepbeesten vangen. Ik roep mijn mens erbij. Ze legt uit dat Foppe roze olifanten ziet en daarom niet naar buiten mag. Het wordt hier steeds gekker. Eerst een tijger, nu olifanten. Roze nog wel. Dat gelooft toch niemand.
Moet ik uitleggen hoe onpotig het is als je de regie kwijt bent over je eigen kattenluik en totaal afhankelijk bent van slecht meewerkend personeel? Die nacht buiten in de stromende regen gaat me niet in mijn kouwe vacht zitten. Katzijdank ben ik een kater die snel vergeeft in ruil voor kipsnackjes. Veel kipsnackjes. Heel veel kipsnackjes.
Een week later lijkt ons huis zo lek als een mandje. Overal liggen plassen. Om maar te zwijgen over hopen stinkende drab. Mo blijft slepen met emmers. En met lappen raar krakende stof. Misschien is het nu wel tijd voor een loodgieter, miauw ik haar. Het heeft hier wel wat weg van een open riool. ‘Dat is lief van je Japie. Helaas kan die dit euvel niet verhelpen. Dat moeten de goeie beestjes gaan doen uit de buik van die andere poes. Een dame met een gitzwarte jas. Nova heet ze. We moeten veel liefde en geduld hebben voor Foppe. Hopelijk is hij dan straks weer als nieuw.’

Koppie van Japie

Psssst We sturen oneindig veel liefde en kattenkracht en zachte kopjes vol poezenpower naar iedereen die ze kan gebruiken. Want we snappen heus wel dat er overal om ons heen zorg en zorgen en furdriet zijn. We denken ook aan jullie.

Japie: Katdo in het donker

Miauw lieve furriendjes, wat ons pas toch is overkomen….

Het ene moment rukt de wind zo hard aan mijn boom dat ik me stevig moet vasthouden, anders donder ik er uit. Het andere moment zetten de wolken alle sluizen open en dreig ik naar beneden te spoelen. Gebeurt niet hoor, want mijn stiletto’s zijn altijd in optima forma.
Net als ik denk een rubberboot te moeten gaan opblazen, komt de zon tevoorschijn en is al het water in mum van tijd weg. Wat volgt is een zwoele avond. En dat allemaal op één dag.
Maar dit is niet waar ik het over wil hebben. Het gaat over wat daarna gebeurde. Of misschien moet ik eerst furtellen wat zich in de woonkamer afspeelde, toen Mo de gordijnen dicht deed.

Foppe

‘Jongens, jullie moeten even binnen blijven. Want toen ik net het egelrestaurant bijvulde, zag ik niet één maar twee begeltjes. Ze lagen Saame opgerold tegen elkaar aan te slapen. Heel schattig. Maar ze schrokken zo enorm van mij, dat we ze even rust moeten gunnen. Kan ik jullie gelijk bijpraten.’

Mijn broer Foppe

Het blik kipsnackjes komt tevoorschijn. Dat is altijd goed. Al helemaal als ze rijkelijk worden uitgedeeld. Ze steekt gelijk van wal. ‘Ik heb veel met witjas overlegd, omdat de pillen tegen de buikpijn van Foppe minder goed effect hebben.’
Dat heb ik gemerkt inderdaad. Hij schiet steeds vaker als een raket naar de plastic plasdoos waar het gloeiend onder zijn staart vandaan komt. Er blijkt geen andere smaak pillen te zijn, vertelt ze. Dat maakt dat ze voor een dilemma staat. Ze vraagt mijn broer of hij weet wat hem zou kunnen helpen. Natuurlijk niet, denk ik gelijk, Foppe is toch geen dokter. In de stilte die volgt buitelen mijn gedachten over elkaar heen. Wat betekent het dat er geen pillen meer zijn? Voor ik daar echt diep na over kan denken, valt de term poeptransplantatie.

Experiment

Snel slik ik het laatste stukkie kip door. Hier wil ik alles over weten. Mijn broer en tante luisteren net zo aandachtig mee als Mo uitlegt dat er poep bestaat met heel veel goeie beestjes er in. Die goeie beestjes kunnen de stomme beestjes in Foppe’s buik misschien wel wegjagen.
Ik denk gelijk aan de hoop die ik vanmiddag heb gedraaid tussen de prikkelbosjes voor de deur. Zouden daar genoeg goeie beestjes in zitten? Hoe zou ik die in de buik van mijn broer kunnen krijgen?
Katzijdank hebben de dokters daar al over nagedacht. Er zijn katten die hun drollen doneren. Ja, echt waar! Daar wordt een sausje van gemaakt dat met een dun slangetje in de buik van een andere kat wordt gespoten. Dat is wat ze bij Foppe willen gaan proberen. Alleen moet hij daarvoor wel een paar uurtjes bij witjas gaan slapen. Ik zie mijn broer schrikken, maar lijkt gerustgesteld als Mo belooft dat ze al die tijd bij hem zal blijven.
Het lijkt me een purrrfect plan. Ik miauw doen! Daar zijn we het allemaal over eens. Nu de brok door de kamer is, lijkt iedereen opgelucht. Tijd voor de nachtelijke kattiviteiten.

Catcerto

Waar tante Cato altijd gelijk met ons mens gaat slapen, blijft ze deze keer bij ons. Saame miauwen we na over het experiment dat gaat gebeuren. Opeens maant ze ons tot stilte en zegt op fluistertoon: ‘Luister eens, jongens.’ Stilletjes wachten we tot ze verder gaat. Ze draait haar koppie alle kanten op. ‘Het lijkt wel muziek. Heel zachtjes. Horen jullie dat?’
Ik spits mijn oren. Warempel. Nu hoor ik het ook. Ik stoot mijn broer aan. ‘Ga je mee, Foppe? Dan gaan we kijken waar het vandaan komt.’ Katzijdank is zijn buik even rustig. Op kousenpoten lopen we met z’n drietjes de tuin in. Het donker is zwoel. De hemel helder. Sterren fonkelen. De maan verlicht de tuin. Vanachter de heg horen we zachtjes de tonen van een swingende saxofoon, bijgestaan door de ijle klanken van een viool en het zachte plonken van een contrabas. Heel subtiel klinkt er een beat op de achtergrond. Het is zoooo mooi. Een geweldige gitaarsolo nodigt uit tot een dansje.
We genieten van deze onverwachte muziek al hebben we geen idee wie het maken. Wel weten we dat de muzikanten echt heel goed zijn. We voelen de klanken diep in ons binnenste. Als het kattastische catcerto is afgelopen, zijn we helemaal ontspannen en gaan de dingen doen die we graag in het donker doen. Ik duik onder de heg door op zoek naar de muziek èn naar piepbeesten om ze te bedanken.

Katdo

De volgende ochtend lijkt alles lichter. Alsof de muziek onze zorgen minder zwaar heeft gemaakt. De vibraties lijken zelfs ons mens geraakt te hebben. Ze staat veel soepeler op dan weken. Jammer dat ze een beetje wit is weggetrokken.
Mijn broer laat weten dat ze de GBK heeft gevonden die ik even op tafel had geparkeerd. Voor hij er een strik om kon doen, was alles al opgeruimd. Daar gaat ons katdo. En het was net zo’n purrachtig exemplaar. De eerste van het seizoen.
Jullie houden em te goed, mysterieuze bandleden.

Koppie van Japie
Psssst we hebben meer tijd nodig om alles de kop te bieden wat er gebeurt. Daarom miauwen we niks op Beestboek, ligt de website stil en reageren we nauwelijks bij de blog.

Japie: waar zal ik het over hebben?

Japie met Tante Luna aan het muizen vangen

Wat een klaagzang was mijn vorige furhaal, hè?! Eerlijk gemiauwd heb ik me serieus afgevraagd of ik deze keer wel iets moest furtellen, want het is hier nog steeds gedoe. Ik kan toch niet weer een treurdicht houden?! Dat wordt vervelend om te lezen.
Tegelijkertijd kan ik niet voorbij gaan aan het hoe het hier al een tijdje gaat. Maar moet ik het hebben over de tandarts die mijn mens vaker ziet dan haar lief is? Of zal ik het hebben over hoe ze staat, strompelt, zit, wiebelt, ligt, kreunt en kruipt? Door het in alle bochten wringen is ze wel soepeler aan het worden. Maar om nou te zeggen dat haar humeur er op vooruit gaat?
Misschien komt dat wel omdat ze ook witjas vaker spreekt dan ze zou willen. Over Foppe, die alwéér aan het tobben is met zijn gezondheid. Daar heeft ze zorgen over en ze wordt er verdrietig van en als het donker is, ligt ze daar weer wakker van. Ondertussen maakt ze plannen om alle vieze geurtjes uit huis te krijgen die een gevolg zijn van de buikpijn van mijn broer. Wat overigens helemaal geen handige combinatie is als je last hebt van je rug. Hebben jullie een beetje beeld bij hoe de sfeer in huis is?
En dan heb ik het nog niet eens over de website van mijn bissniss die al maanden plat ligt. Ook al geen visitekaartje. Kortom….

Meowe buurtbewoners

Misschien kan ik het hebben over de meowe buurtbewoners? Want wat ik nooit meer heb gemiauwd is dat we er toch nog achter zijn gekomen waar mijn look-a-like woont (daar heb ik in het voorjaar een furhaal over geschreven). Hij bleek notabene gewoon bijna naast ons te wonen, in het huis van mijn grijze sterrenvriend Berdus. Mijn mens kwam er pas achter toen de verhuiswagen voor de deur stond.
Hij heet overigens Tedje en we schijnen sprekend op elkaar te lijken. Alleen heeft Tedje een piepklein stukkie met witte haren die tussen zijn lange borstharen uit piepen. Jammer dat we nooit fatsoenlijk kennis hebben gemaakt. Er waren meer verhuizingen en nu wonen er andere mensen met andere katten. Zo is er een vuurrode duvel die ondanks zijn verhitte kleur een vriendelijke inborst lijkt te hebben. Ik zou best furrienden met hem willen worden, maar ik heb geen idee waar zijn tuin is. Ik zie er eentje in een rood-witte jas, zonder staart.
Nu vraag ik me af of hoe zoiets kan. Dat ga ik een keer op de kat af vragen als zij dichterbij durft te komen. Dan is er nog superslanke, razendsnelle die donkerder is dan de nacht. Zijn klauwen zijn scherper dan de mijne, die al vlijmscherp zijn. Onze outfits gaan er niet op vooruit als we weer eens een kattefietje hebben. Tante Cato miauwt keer op keer dat we het beter bij blazen kunnen houden. Dan kom je er zonder vachtscheuren vanaf. Met mijn vijf jaar ervaring zou ik zoiets inmiddels moeten weten, want die extra gaten in mijn lijf zijn best pijnlijk.

Of ik kan het hebben over mijn contact met een watersalamander die pendelt tussen de schuur en het drooggevallen vijvertje in de achtertuin. Salamander is een meowsgierig aagje, die in de deuropening blijft zitten als er iemand heen en weer loopt. We zijn aan het uitvogelen in welke taal we elkaar het beste begrijpen. Want ik zou wel willen weten hoe je als Watersalamander je zwemdiploma haalt als er geen water is.
Het zou ook kunnen gaan over Begeltje die onder de prikkelbosjes bij de voordeur woont. Je snapt dat die kleine Stekel een speciaal plekje in mijn hart heeft.
Voor wie het niet weet, ik ben als verweesd en verwilderd kitten opgevangen door egels. De Stekels deelden hun brokjes met mij en dat was mijn redding. Je leest er alles over in mijn eerste blogs op deze website. Begeltje is dol op kattenbrokjes met veel kip en laten wij dat nou voldoende op voorraad hebben. Zijn (of haar?) bakje zit verstopt onder een dakpan zodat zowel Foppe als de regendruppels er niet bij kunnen. Ieder donker knabbelt hij het stampvolle bakje leeg. Alles om genoeg vet op de botjes te kweken voor de kou komt. Dat lijkt nog ver weg, maar als baby egel moet je snel groot groeien om een winterslaap te kunnen houden.

Volle vriezers

Misschien moet ik het maar gewoon hebben over tante Luna die zoals altijd fris en fruitig en poesitief is. Zij stuurde me een kattenbelletje met een wel heel aantrekkelijk voorstel, waar vast meer katlega’s oren naar hebben.
Dit is het plan. In sommige polders vreten de muizen de wortels van het gras kapot. Dat vinden de boeren niet leuk, want het gras is voor koeien en schapen. Om de muizen te verjagen, laten ze hun gortdroge land vol lopen met water. Muizen houden niet van natte poten en verlaten massaal hun holletjes. De ooievaars weten purcies in welk weiland ze moeten zijn om die piepbeesten te vangen. Omdat zij zoveel muizen niet op kunnen, gaan wij ze een pootje helpen.
Als je zin en tijd hebt, kom er gezellig bij. De vriezers kunnen maar vol zitten toch?!

Koppie van Japie