Na de eerste maanden van het wennen, besloot Bert op bed te gaan slapen. Er zijn katers en poezen die dan gezellig inschikken, onder het dekbed kruipen of juist er weer op, ongeacht of en hoe er iemand onder ligt, maar Bert was dat niet van plan.
Het gebeurde dat ik in bed lag en naar het tapijt ervoor keek, waar een kritische kater zat en kennelijk op iets wachtte.
“Wat wil je Bert,” vroeg ik dan.
Hij bleef onbeweeglijk zitten. Als hij zoiets moest uitleggen, neen. Dat was beneden zijn waardigheid als katerman.
Het duurde dus even eer ik hem begreep.
Wat Bert wilde, was een eigen kussen. Zijn terrein. Weten waar dat begon en waar dat ophield en dus ook waar hij heer en meester was of eigenlijk gewoon veilig.
Knorren
Ik legde dus een kussen aan het voeteneind. In een sloop.
En jawel.
Bert wenste er ook op te slapen.
Alleen, Bert wenste ook naar mij te kunnen kijken als hij ’s nachts even wakker zou zijn.
Dat kon ik me voorstellen. En het gevoel was ook wederzijds.
Per die nacht sliep ik scheef in bed. Dat voelde anders maar alles welbeschouwd wel gezellig. Soms waren we tegelijkertijd even wakker, dan keken we naar elkaar, ik aaide hem zachtjes en dan knorde hij. Van de weeromstuit aaide ik langer dan verantwoord was voor mijn nachtrust – want ja, die kleine intieme momenten van samenzijn in het donker waren me zo dierbaar. Het was of we door het nachtelijk uur elkaar nabijer kwamen.
Later sliep Bert weer beneden, maar kwam hij ’s morgens even naar boven. Ik hoorde zijn poten op de trap dichterbij komen en dan keek ik of het grote katermanhoofd in beeld kwam. Bovenaan de trap stopte hij even om naar mij te kijken. Oogcontact. Daar begon de dag, op dat moment, en als de dag zo begon, was het meteen een goede dag, ongeacht wat er verder allemaal gebeurde.
Vooral op zijn buik had Bert een wollige deken van vacht, waar ik na een jarenlang verbod tot aanraken toch aan mocht komen. Heerlijk. Dat zachte. Ik aaide, ik friemelde, ik hapte er zachtjes in en Bert lag dan tevreden te knorren. Elke avond lagen we zo op het matje. Hij erop, ik ervoor, tegen hem aan, de lampen uit, in de schemering van de lantaarnpaal voor het huis.
Een week geleden miauwde ik met veel bravoure op Beestboek dat ik een nieuw onderzoek zou publiceren. Deze keer over een bijzonder object dat in onze huiskamer staat, eh ligt. Of is het nou staan? Hoe dan ook, het opmerkelijke is dat het ding daar pas is, sinds de vlieringsnuiter over de vloer komt. Dan moet er een relatie zijn tussen die twee. Hoe het purcies zit, daar kan ik mijn poot nog niet helemaal op leggen. Een compleet verslag houden jullie daarom tegoed. Deze keer moet ik echt miauwen over de furjaardag van mijn tante Cato. En vooral wat er de ochtend daarna gebeurde. Want dat was geen kattenpies. Lees maar.

Van alle katten die ik heb gekend en ken, was Bert zonder meer degene die het meest afkeurend naar me kon kijken.
Hallo allemaal, hier Izzy, Belle, Moby, Dopey, vandaag zijn wij verdrietig omdat wij afscheid van jullie moeten nemen. Geen verhalen meer maken over onze belevenissen en deze met jullie delen.