Categorie archieven: Uit het leven van Bert

Bert en de supersnelle scheerbeurt

Achter de stapel tijdschriften die om de een of andere reden op de koelkast ligt, vond ik deze week een doosje. Klein. Het kwam me vaag vertrouwd voor, dus ik opende het nieuwsgierig.

Er lag een vreemd stukje lichtbruine vacht in, ietwat oranje. Ik herkende het meteen, een klit uit de vacht van Bert, die ik had opgeborgen en daarna vergeten. Hier in huis vind ik af en toe iets van hem terug, een tijdje terug zag ik ergens een buisje liggen met de tanden van zijn eerste tandenoperatie. Ik nam alles mee terug van de dierenarts, behalve geknipte nagels. Die vergat ik.

Toen Bert bij me kwam wonen, als jonge katerman, had hij een heerlijke dikke wollige vacht, zelfs na het verharen voor de zomervacht bleef het zo dik dat ik er diep mijn vingers doorheen kon laten gaan. Dat deed ik dus ook, langzaam en lang aaien vonden we alletwee het fijnste. Lag hij met zijn vacht voor de ventilator, dan waaiden de haren alle kanten op, waardoor hij oogde als een Main Coon, wat hij zo graag wilde zijn. Dat grote geweldige kattenras.
Ik had geen idee dat juist die vacht later voor zulke problemen zou zorgen.

Zoiets gaat geleidelijk. Het was na Berts zestiende verjaardag dat ik tijdens het aaien in zijn vacht een hard stukje aantrof.
– Wacht even Bert
Hij lag stil. Ik mocht aan het harde stukje friemelen. Haartjes bij elkaar, dat had ik niet eerder gezien. Ze waren een beetje losser, toen Bert onrustig bewoog.
– Dan stop ik hoor.
Maar het harde stukje was er nog steeds.
Elke avond, wanneer we samen op het matje lagen, probeerde ik tijdens het aaien weer wat haartjes los te friemelen. Het mocht altijd eventjes.

Eventjes was niet genoeg.
Terwijl het ene eerste stukje een heel klein beetje losser werd, voelden mijn voorzichtige vingers wat andere harde stukjes. Klitten, meervoud.
Ik kocht een klittenkam.
Hij wilde het niet.
Een borstel.
Nee, keek hij.
Een andere borstel.
Mocht evenmin.
Er was dus een probleem ontstaan.

Wat te doen? De beste trimsalon zat bij de dierenarts in de kliniek, dat kon dus niet want Bert was bang in de taxi. Iemand in huis laten komen kon, maar elke trimster bracht een tafel mee en daarvoor hadden we geen plaats.
De oplossing lag in de klitten wegknippen.
Na het begin-knipje keek Bert zo verstoord, dat ik alle voornemens tot zelfdoen meteen opgaf. Ik wist toen ook wat de oplossing was.

De dierenarts is toen nog geen vijf minuten binnen geweest. Bert in een handdoek, opgetild, zzzzzz deed het scheerapparaat, Bert weer neergezet en dat was het.
Een blotebuikplek.
Maar geen klitten meer op Bert. Die avond was het aaien weer als altijd, rustgevend en ontspannend.

Waarom ik nou weer te dik ben

Het ging best goed met slank en atleeties worden en ik geloof ook dat ik het was, hoe lang weet ik niet, maar wel eefe, ik ben ook zo een keer op de foto gegaan, maar ik weet nou ook, ik ben weer dikker dan ik moet zijn.

Hoe kan dat nou.
Ik was atleeties en nou niet meer.
Mijn vrouw friemelde aan mijn buik en zei dat ik weer een tummie had en dat er iets moet gebeuren.

Nou is het zo dat ik allergies ben dus ik kan geen sportbrokken of ander slank-eete, ik moet diejeet hebben en houden dat mag niet anders foor mijn gezond.
Dus ik kreeg minder eete.
Toen kreeg ik minder eete met de luns en met het afondeete, dus wel twee keer.. Dat is toch poosietief. Alleen ik kreeg ook minder brokjes. Eerst een beetje minder en toen nog wat minder. Nou heb ik elke ochtend bijna alle brokjes op. En ik hou fan brokjes. Ik wil meer. Lekker eete en kraake. Ik heb nou ’s avonds laat dat ik mijn brokjes krijg dan ga ik meteen lekker dooreete, dat doe ik.
Dus eete is eete.
Ik hoef geen honger te lijden zegt mijn vrouw en dan kijkt ze moeilijk naar mijn tummie.

Ik moet nou meer treene dat snap ik.
De flieg kan ik al helemaal.
Muizen heb ik gedaan.
Ik had een spin met fleugels die kan ik nou ook.
Een bal heb ik ook gedaan.

Ik knaag soms op een lintje en ik ren soms achter de flieberhengel aan en dan schuif ik over de kranten. Dat doe ik.
Maar geeneens elke dag.

Dat komt ook omdat ik meer rust in mijn kop heb. En ik kan meer genieten van knuffels. Dus nou is het zo dat ik liefer op mijn kussen lig en kriebels op mijn buik foel, dan dat ik door de kamer ren.
Iets moet er feranderen, maar ik weet nog niet wat.

Dit is mijn nieuwe spelletje

Ik ben nou gewend, dat dacht ik maar het is ook zo dat ik nieuwe dingen leer en ontdek en doe, dus ik foel dat ik wat wil en kan en dat ik het gewoon mag. Dus nou heb ik de laatste tijd een nieuw spelletje.

Spelletje

Als we gaan eete dan eet ik mee en dan ga ik op de trap zitten. Van ik ben er niet. Dan ben ik ferstopt en als ze uit de keuken komt roept ze Olliewaarbenje.
Dan ren ik keihard van de trap naar de kamer fan hierbenik.
Ik heb het helemaal zelf bedacht.
En laatst toen ging ik in mijn doos zitten dus toen kon ze me niet zien. En ik hoorde weer Olliewaarbenje en ik zat er gewoon.
En toen rende ik weer keihard de kamer in.
Dat is het spelletje.

Zelf bedacht

Alles wat ik zelf bedenk dat is leuk, dat is mijn erfaring.
Wat ik ook zelf heb bedacht dat is:

  • meegaan naar de badkamer en daar knuffels doen, maakt mij niet uit of het dag is of nacht, ik ga gewoon mee
  • onder mijn kin aaien dat wil ik alleen als de dag begint of als het afond is
  • ofer mijn buik maar alleen zacht en alleen als ik weet nou kan het
  • als ik treen op mijn meubel springen en dan staan en met mijn poote de flieg helemaal van bofenaf pakken dat is heel moeilijk ik moet staan en graaien met een poot eerst kon ik het geeneens
  • op de krant springen en dan zo door de kamer schuiven
  • dat ik nou elke ochtend op bed spring en dan op het grote dekbed ga trappelen

Wie ben ik

Het is presies vandaag ook zo dat ik hier acht maanden ben dat is heel lang en toch weet ik nog dat mijn leefe erfoor moeilijk was. En het begin hier ook.
Misschien ben ik nou pas toe aan het ontdekken van me-eigen fan binnen, dat ik gewend ben aan hier te zijn maar dat ik nou denk ja wie ben ik dan eigenlijk zelf.
Ik ben een gefoelige jongen. Ik kan dingen bedenken. Ik hou fan knuffels en spelen. Meer weet ik nog niet met zekerheid.

Toen Bert de wiew ontdekte (37)

Bert was nog net niet of net wel een jaar bij me, toen er een gevaarlijke ontwikkeling ontstond. Het groene spul kwam in zijn en daarmee in ons leven.

In die tijd zaten we net in een nieuwe fase. Het grote wennen was gedaan, Bert voelde zich rustiger en hoefde niet meer zes keer per dag te spelen. Maar angstklachten waren er nog steeds. Dus ik dacht aan iets dat moeder natuur ons bood en dat was catnip. Online werd van alles aangeboden, steeds met de waarschuwing dat de ene kat er anders op reageerde dan de andere kat. Het kon ook niks doen.

Wiew

In een kwaliteitswinkel te Amsterdam kocht ik iets dat omschreven werd als stinkzakjes. Ik vond het best lekker ruiken, maar daar ging het niet om.
“Bert, kijk eens?”
Ik legde de zakjes op het tapijt.
De video ging op Facebook en vrienden met meer ervaring wisten hoe het heette wat hier gebeurde: dit was nu wiewen.
Dat je in je kop zweeft en je helemaal goed voelt en alles is raar en juist fijnn. Wiewen. Zeg het met een lange ie en het is meteen duidelijk.
Een betere reclame was er natuurlijk niet, en de video kwam ook op de website van de kwaliteitswinkel. Ik hoop dat er veel poezen en katers gelukkig door werden.

Meer

Toen ik Bert eenmaal zo ontspannen zag, wilde ik dat meer en vaker zien. Ik ontdekte de gele banaan waar hij op dag 1 gek en vrolijk van werd en op dag 2 niet naar omkeek, om de banaan op dag 7 te herontdekken.
Hij kreeg verse wiew, en dat was stevig spul. Erin rollen en stil liggen en ik zag hoe hij helemaal van de wereld was.
Er kwamen cadeautjes, ook met wiew.
Alles was superduperfijn tot het van de ene seconde op de andere gewoon was en dan weer fijn, ik nam maar aan dat het bij wiewen hoorde.

(tekst gaat verder onder video)

 

Zelf rook ik ook aan nieuwe wiew. Maar ik had er nooit het effect van dat Bert onderging, al was dat altijd onvoorspelbaar en soms ook weer niks, dan liep hij door het groene spul naar de vensterbank, net of het er niet lag.
Dit alles behoorde tot het mysterie van de wiewende kater.

Bert en het plekje bij zijn neus (34)

Na een periode van weken en maanden aan elkaar wennen, bereikten Bert en ik het tijdloze stadium. Tijdloos, omdat elke dag op de andere leek, onze vaste gewoonten, het huis waarin alles hetzelfde bleef, er veranderde niets en ook al tikte de klok door en verstreek de tijd, Bert en ik bleven altijd in het hier en nu en dat was samen.

Tijdloos

Dat hier en nu duurde jaren, weet ik nu.
Het was de middenfase, die komt na het wennen en voor de fase van de diepe zorgen. In de middenfase is het leven samen eindeloos lang, en het besef dat het ooit kan eindigen is ver weg op een achtergrond wel aanwezig maar verder niet, dus eigenlijk is dat besef afwezig, is het niet-bestaand, en waarom zou het ook bestaan als elke dag na de andere komt.
Zo leefden we dus.
Heerlijk.
Zowat zorgeloos de eeuwigheid in.

Plekje

Dat duurde tot ik op een dag zei: “Bert, kom eens dichterbij.” Hij kwam, knuffels verwachtend. Ik aaide zacht over zijn kop en keek naar dat ene vreemde. Een klein donker plekje aan de rechterzijde van zijn neus. Dat was er niet altijd geweest.
Terwijl Bert tevreden doorknorde, probeerde ik rustig te blijven, terwiijl de gedachten door me heen schoten: huidverkleuring, vast te lang in de zon geweest, ja al die waarschuwingen en mensen krijgen dan huidkanker, poezen vast ook, hoe lang zou hij nog hebben, wat moet ik doen.

Wat ik moest doen, lag voor de hand. De dierenarts bellen. Een paar dagen later volgde het huisbezoek, want Bert had nog altijd angsklachten dus alleen in nood gingen we per taxi naar de kliniek.

Op de dag van het huisbezoek leek het plekje iets kleiner. Maar het was er wel. En ik besefte dat hij de laatste tijd ook wat matter was geweest, iets wankeler op zijn pootjes. In dat besef voelde ik mijn angst om hem te verliezen, dat het zomaar mogelijk zou zijn.
De dierenarts vond het plekje geen onheilsbode, ook al niet omdat het verdween. Wel schreef ze Bert een middel voor om innerlijk wat meer kracht te vinden, dat was Zylkene.

Bijkomen

Toen ze weg was, moesten we alletwee bijkomen. Bert vanwege opeens het bezoek dat vreemde luchten meebracht. En ik omdat ons leven samen behouden bleek te zijn.
De Zylkene werkte, Bert stond weer steviger, het wondje verdween, de dagen leken weer op elkaar zoals voorheen.
Alleen ik was veranderd, in mij was het gevoel over de eeuwigheid van ons samenzijn begrensd geraakt, een gevoel dat ik met alle kracht in me verdrong.