Na een periode van weken en maanden aan elkaar wennen, bereikten Bert en ik het tijdloze stadium. Tijdloos, omdat elke dag op de andere leek, onze vaste gewoonten, het huis waarin alles hetzelfde bleef, er veranderde niets en ook al tikte de klok door en verstreek de tijd, Bert en ik bleven altijd in het hier en nu en dat was samen.
Tijdloos
Dat hier en nu duurde jaren, weet ik nu.
Het was de middenfase, die komt na het wennen en voor de fase van de diepe zorgen. In de middenfase is het leven samen eindeloos lang, en het besef dat het ooit kan eindigen is ver weg op een achtergrond wel aanwezig maar verder niet, dus eigenlijk is dat besef afwezig, is het niet-bestaand, en waarom zou het ook bestaan als elke dag na de andere komt.
Zo leefden we dus.
Heerlijk.
Zowat zorgeloos de eeuwigheid in.
Plekje
Dat duurde tot ik op een dag zei: “Bert, kom eens dichterbij.” Hij kwam, knuffels verwachtend. Ik aaide zacht over zijn kop en keek naar dat ene vreemde. Een klein donker plekje aan de rechterzijde van zijn neus. Dat was er niet altijd geweest.
Terwijl Bert tevreden doorknorde, probeerde ik rustig te blijven, terwiijl de gedachten door me heen schoten: huidverkleuring, vast te lang in de zon geweest, ja al die waarschuwingen en mensen krijgen dan huidkanker, poezen vast ook, hoe lang zou hij nog hebben, wat moet ik doen.
Wat ik moest doen, lag voor de hand. De dierenarts bellen. Een paar dagen later volgde het huisbezoek, want Bert had nog altijd angsklachten dus alleen in nood gingen we per taxi naar de kliniek.
Op de dag van het huisbezoek leek het plekje iets kleiner. Maar het was er wel. En ik besefte dat hij de laatste tijd ook wat matter was geweest, iets wankeler op zijn pootjes. In dat besef voelde ik mijn angst om hem te verliezen, dat het zomaar mogelijk zou zijn.
De dierenarts vond het plekje geen onheilsbode, ook al niet omdat het verdween. Wel schreef ze Bert een middel voor om innerlijk wat meer kracht te vinden, dat was Zylkene.
Bijkomen
Toen ze weg was, moesten we alletwee bijkomen. Bert vanwege opeens het bezoek dat vreemde luchten meebracht. En ik omdat ons leven samen behouden bleek te zijn.
De Zylkene werkte, Bert stond weer steviger, het wondje verdween, de dagen leken weer op elkaar zoals voorheen.
Alleen ik was veranderd, in mij was het gevoel over de eeuwigheid van ons samenzijn begrensd geraakt, een gevoel dat ik met alle kracht in me verdrong.
Na de eerste maanden van het wennen, besloot Bert op bed te gaan slapen. Er zijn katers en poezen die dan gezellig inschikken, onder het dekbed kruipen of juist er weer op, ongeacht of en hoe er iemand onder ligt, maar Bert was dat niet van plan.
Vooral op zijn buik had Bert een wollige deken van vacht, waar ik na een jarenlang verbod tot aanraken toch aan mocht komen. Heerlijk. Dat zachte. Ik aaide, ik friemelde, ik hapte er zachtjes in en Bert lag dan tevreden te knorren. Elke avond lagen we zo op het matje. Hij erop, ik ervoor, tegen hem aan, de lampen uit, in de schemering van de lantaarnpaal voor het huis.
Een week geleden miauwde ik met veel bravoure op Beestboek dat ik een nieuw onderzoek zou publiceren. Deze keer over een bijzonder object dat in onze huiskamer staat, eh ligt. Of is het nou staan? Hoe dan ook, het opmerkelijke is dat het ding daar pas is, sinds de vlieringsnuiter over de vloer komt. Dan moet er een relatie zijn tussen die twee. Hoe het purcies zit, daar kan ik mijn poot nog niet helemaal op leggen. Een compleet verslag houden jullie daarom tegoed. Deze keer moet ik echt miauwen over de furjaardag van mijn tante Cato. En vooral wat er de ochtend daarna gebeurde. Want dat was geen kattenpies. Lees maar.

Van alle katten die ik heb gekend en ken, was Bert zonder meer degene die het meest afkeurend naar me kon kijken.