Tevreden stap ik door m’n luik de keuken in. Tijdens een tussentijdse inspectieronde heb ik een hoop nieuwe vindplaatsen ontdekt. Purcies wat ik nodig heb. Ik rook ze al van verre. Hoeveel er wonen dat ontdek ik vannacht. Met een beetje mazzel heb ik er dan genoeg. De tijd dringt.
Zodra het donker wordt, ga ik doelgericht op pad en sla toe. Eerst thuis de afwas doen, want ook die taak hoort erbij en doe ik met overgave. Mijn tante heeft iets heerlijks voor me laten liggen. Ze snapt maar al te goed dat alles van mij afhangt. Alleen met een goed gevulde buik kan ik mijn werk voor Muisbezorgd serieus doen.
Voor deze opdracht ben ik extra gemotiveerd. Gulzig begin ik aan de restanten van de vis die tante Cato niet meer blieft. Na het schoonlikken van de binnen- èn de buitenkant laat ik mijn tong over mijn snorharen glijden. Ik ben zo bezig met nagenieten dat ik amper door heb wat er in de woonkamer aan de poot is. Daar kom ik snel genoeg achter.
Ze wil niet
Mijn mens zit met verhitte wangen op de bank, de telefoon op haar schoot. Vanuit de speaker hoor ik vragen: “Maar waarom zou je het niet vieren? Het is toch een kroonjaar?! Heeft het met de doosjes *) te maken?” ‘Ik vier mijn verjaardag nooit en ook nu niet.’ Mo klinkt resoluut. ‘December is toch al niet mijn favoriete maand met al die feestdagen. Dit
jaar staat mijn hoofd er helemaal niet naar. Om dan ook nog een verjaardag te vieren. Nee hoor, ik heb er geen zin in!’ Even blijft het stil. Tot de andere kant weer begint. Mijn mens reageert niet zo vaak geëmotioneerd. Niet als Foppe tegen de gordijnen pist. Niet als tante Cato vanaf de bovenste traptree aan ver spugen doet. Ook niet als ik de restanten van de jacht onvoldoende heb weggemoffeld. Ze zucht altijd alleen maar als ze weer met een emmer sop in de weer gaat.
Maar nu, tijdens dit telefoongesprek, hoor ik hoe haar stem langzaam een paar octaven hoger wordt en er frustratie in doorsijpelt. De beller snapt niet waarom mijn mens geen dagje vrij neemt. Aan alles merk ik dat degene aan de andere kant van de telefoon graag langs wil komen brengen. En dat is nou net waar Mo geen zin in heeft. Ze vindt het niet erg om een jaartje ouder te worden. Maar ze houdt er niet van om in de schijnwerpers te staan. En al helemaal niet om nog meer spullen te krijgen.
‘December is een maand van veel te veel overvloed,’ zegt ze, ‘daar hoeft niet nog meer bij. Ik ben die dag gewoon aan het werk. Als je echt iets wilt geven, maak dan iets over aan een goed doel. Dat levert veel meer blije snoetjes op.’
Groots uitpakken
Ik denk aan de eenenveertig muizen die al klaar liggen. Nog maar negentien te gaan. Het zou een knaller van een katdo moeten worden. Maar na het afluisteren van dit gesprek ga ik twijfelen aan ons plan.
Saame met Foppe en tante Cato had ik iets kattastisch bedacht. Zelfs CW vond het een purrrfect idee om groots uit te pakken. Stel je eens voor. Een reusachtige doos met een purrachtige strik er om heen. Als Mo op de ochtend van haar verjaardag uit bed komt, staat het gevaarte als blikvanger midden in de kamer. Daar kan ze niet omheen. Terwijl wij in koor hiep hiep hieper de PIEP miauwen trekt ons mens het lint los. Op dat moment springen er als furrassing zestig muizen uit. Voor ieder levensjaar eentje. Met een grote dikke vette bruine knoeperd extra uit de tuin van KeverT als wens voor het komend jaar. Ik zie het al helemaal voor me.
Maar nu weet ik het niet meer. Wat denken jullie?
Koppie van Japie
*) zie mijn letters op de Beestboek van een tijdje geleden



Kattentaart, muizensoep, kattentaart, muizensoep, kattentaart, muizensoep. Eén voor één bijt ik het zoveelste klittenbolletje uit mijn vacht. Nog zo’n 9246875321 te gaan. Dan weet ik zeker wat ik ga maken voor Toffe KeverT. Mijn grote furriend van de blog op zondag was pas jarig. Omdat hij zelf altijd voor ons en voor iedereen zulke lekkere hapjes maakt, wil ik iets speciaals voor hem doen. Iets dat hij zelf nog niet eerder zo lekker heeft gegeten. Ik denk aan een enorme kattentaart; dé tip van Jajim voor feesten en partijen. Of toch muizensoep? Dat zou een kattastisch visitekaartje zijn voor Muisbezorgd! Waar ben ik gebleven? Kattentaart, muizensoep, kattenstaart, muizenstoep, kattensoep, muizentaart. Koppie erbij houden, Japie! miauw ik streng tegen me zelf, anders raak je het spoor bijster. Kattentaart, muizensoep, kattentaart, ….
Muissoep
tijd zijn er heel wat vreemdelingen gekomen en ook weer gegaan, omdat het beter met ze ging. Altijd was er ruimte voor een extra bordje en een extra aai over hun bol, zonder dat wij moesten inboeten. Tante Cato heeft altijd het beste plekje in bed gehouden, dicht tegen ons mens aan. Ze hoeft niet bang te zijn. Want liefde is er altijd. Gratis en voor niks en in overvloed. Ik heb wel eens gelezen dat liefde het enige is dat zich vermenigvuldigt als je het deelt. Al heb ik geen furstand van wiskunde ik zie in de praktijk dat het zo werkt.
De zon is allang wakker als ik mijn naam hoor roepen: ‘Japie. Jaaapie.’ Loom strek ik mijn poten uit. Ik lig hier meer dan heerlijk onder de prikkelbosjes. In gedachten dwaal ik terug naar het donker. De klopjacht was bijzonder geslaagd. De korte pootjes, de glimmende oogjes, de schubbige staart. Het besliste in mijn voordeel. Met trage, stevige halen duw ik mijn ruwe tong over mijn overvolle buik. Zo’n massage is goed voor de spijsvertering heb ik wel eens gehoord. De stem van mijn mens gaat een paar octaven omhoog: ‘Jaaapie! JAAAPIE!!’ Ik geloof dat ik mijn neus maar even moet gaan laten zien thuis.
Ik klauter omhoog mijn boom in tot aan het plankje waar ik purrrfect uitzicht heb op de keukendeur. Lang hoef ik niet te wachten. Met een zwaai gooit ze em open en vlak voor Mo mijn naam wil roepen, ziet ze me al liggen. Met tranen in haar ogen komt ze op me afgestormd. Na wat katpriolen op het plankje, nog wat knipoogjes en een paar zachte kopjes weet ik dat ze me al vergeven heeft. Mijn mens is zo makkelijk te paaien. ‘Kom, kleine belhamel, je eten staat klaar.’ Beter blijf ik liggen om uit te buiken, maar wil geen argwaan wekken. Zo energiek mogelijk spring ik uit mijn boomhut en voor de show ren ik achter aan haar. Ze mag niet te weten komen dat ik al meer dan genoeg gegeten heb.
nog een zoen op mijn kop sta ik katzijdank weer met vier poten op de grond.
In het eerste bakje gaat van die furrukkullukke liquid snack. Met een paar goed bedoelde smakeloze druppeltjes die de klierende klier van m’n tante minder laten klieren. Het water loopt me in de bek als ik dat ruik. Mijn broer en ik rennen smachtend achter dat bakje met lekkers aan. Tevergeefs. Tante Cato zit braaf onder aan de trap te wachten. Met een zwierige zwaai en ‘dames gaan voor’ zet Mo het smikkelgoedje voor haar neus. Als een waakhond blijft ze er net zo lang bij staan tot m’n tante het bakje likje voor likje voor likje voor likje voor likje leeg heeft gemaakt. Voor ik het kan afwassen grist Mo het razendsnel van de grond. Terug naar het aanrecht. Eindelijk worden dan alle bakjes gevuld met vlees. Of nog beter, ik ruik vis. Mijn lievelings. Het kwijl loopt langs mijn bek.
Berisping