
Allemiauws, wat een walm. Zodra ze de drempel overstapt, ruik ik het direct. Onmiskenbaar de geur van een rivaal. Eentje met walnoten of misschien zelfs sambaballen. Ik weet dat mijn mens andere katten ontmoet, iedere week weer. Dat heeft ze bedongen, toen ik mijn poot onder haar adoptiepapieren zette. Dat ze blijft zorgen voor dieren zonder thuis. Anders ging het feest niet door. Meestal doet ze dat heel subtiel. Bij thuiskomst heeft ze altijd een andere vacht aan dan waarmee ze eerder op de dag vertrekt. Maar deze keer stinkt haar verschoning alsnog een uur in de wind. Naar een andere kater dus! We moeten nodig miauwen, mijn mens en ik.
Niet veel later zit ze dromerig met een bakkie leut naar buiten te staren, een grote glimlach op haar gezicht. Ze lijkt mij niet te zien, terwijl ik pal aan haar voeten zit. Ze zal toch niet furliefd zijn? Daar moet ik heel gauw een poot voor steken. Ik spring naast haar op de bank waarna ze achteloos begint te aaien. Pas als ik op het punt sta mijn stilleto’s uit te slaan merkt ze me eindelijk op. Poeslief vraagt ze wat er aan de hand is. Dan doe ik mijn boekje open. Over haar vreemdgaan. ‘Het is niet wat je denkt, Japie’, antwoord ze. ‘Dit gaat over een Griekse God. Wil je zijn furhaal horen?’ Schoorpotend geef ik toe dat ik wel meowsgierig ben naar mijn concurrent. Mijn mens begint te vertellen.
Vakantie

Het is hartje zomer als mijn vriendin met haar gezin op vakantie gaat naar een Grieks eiland waar het verzengend heet is. Om koel te blijven vermaken ze zich met plonsen in het zwembad en ijsjes die ze halen in het dorp. Altijd nemen ze het paadje rechtsom hun verblijf. Op hun laatste vakantiedag besluiten ze in een opwelling linksom te lopen. Alsof dat zo moest zijn. Ze keuvelen over de smaak ijs als een van hen plots een geluid opmerkt. ‘Stil eens,’ vermaant ze iedereen, ‘ik hoor iets piepen.’ Eén keer horen ze het allemaal, een heel iel miauwtje en dan blijft het muisstil. Niet veel later vinden ze een kittentje, zo klein dat het makkelijk in hun hand past. Zijn mama is in geen velden of wegen te bekennen. Het kan niet meer op zijn pootjes staan, zo slap is zijn lijfje van honger en dorst. Zijn oogjes zitten dicht door aangekoekte viezigheid. In zijn smoezelige jasje krioelen honderden beestjes. Maar daaronder een zwoegend borstje dat zijn best doet om levenslucht binnen te halen. Ze aarzelen geen seconde. De een snelt naar de supermarkt voor eten, de ander smokkelt het ukje naar de hotelkamer, weer een ander gaat op zoek naar hulp. En zo komt reddingsactie Ouzo in allerijl op gang. Maar waar begin je in een land waar ze anders om gaan met dierenlevens dan je gewend bent?
De kleine van hooguit vijf weken oud is een knokkertje. Met zijn laatste krachten probeert hij iets van eten binnen te krijgen dat ze met het topje van hun pink aan zijn bekje smeren. Een pincet uit de toilettas blijkt perfect om korte metten te maken met het vlooiencircus. Het gezin zet alles op alles om een dierenarts te vinden die bereid is de ieniemienie Ouzo kans te geven. Met de onbetaalbare hulp van een lokale stichting die voor zwerfdieren zorgt, vinden ze er eentje op een halfuur rijden. Terwijl ze wachten op een taxi (want ja, er gaat daar niet zomaar een bus heen), pakken ze snel hun eigen spullen in. De tijd dringt, want hun vliegtuig vertrekt binnen afzienbare tijd. Ademloos luister ik hoe het verder gaat. Mijn hart hamert in mijn borst. Als dit maar goed komt.
Meedogenloos
De dierenarts is meedogenloos. Euthanasie is de enige optie, want wie moet er voor de kleine zorgen als zij terug gaan naar Nederland? ‘Neem hem mee,’ schreeuw ik, ‘neem hem mee!’ ‘Kon dat maar zo makkelijk, Japie,’ zegt mijn mens terwijl ze me kalmeert, ‘je mag niet zomaar een dier meenemen uit een ver land. Daar zijn allerlei regels en wetten voor. Luister maar verder, hoe komt goed. Want daar is het een (waargebeurd!) kerstverhaal voor zoals we ieder jaar vertellen.’ Weer is het de stichting die helpt. Op het eiland is een Nederlands sprekend gastgezin, die de zorg voor Ouzo op zich wil nemen, terwijl ze al voor tientallen zorgen in hun eigen huis zorgen. Na nog een laatste knuffel laten ze hem achter met de belofte dat ze alle kosten op zich nemen en hem zullen adopteren zodra dat mogelijk is.
Furever home


Na drie maanden van intensieve zorg in het gastgezin is Ouzo sterk genoeg om op eigen poten te staan. Met een poespoort vol internationale stempels stapt de jongeman als handbagage van een bereidwillige toerist mee aan boord van een vliegtuig dat hem naar Amsterdam brengt. Daar staat het voltallige gezin op hem te wachten om hem mee te nemen naar zijn furever home. Opgelucht haal ik adem, tijd om wat te snacken. Als ik weg wil lopen, zegt mijn mens: ‘Het verhaal is nog niet helemaal klaar, Japie. Wil je de rest ook nog horen?’
Ik kruip terug op schoot als ze verder vertelt. In zijn nieuwe huis wonen niet alleen mensen, ook drie katten en een hond. Voordat ze elkaar gaan ontmoeten, moet Ouzo nog één keer naar een Nederlandse dierenarts voor een laatste check. De vreugde slaat om in teleurstelling als die vertelt dat er rare vlekjes in de nog dunne vacht van Ouzo zitten. Die zijn besmettelijk voor de rest van de furmilie. Hij moet in quarantaine. Weken zit hij opgesloten in een kamertje waar hij katzijdank wel bezoek mag ontvangen van zijn personeel mits ze zich in een wit pak hijsen. Hij moet vaak in bad en vieze pillen eten.
Ondanks alles blijft hij vrolijk en lief, weet Mo. Dat vind ik knap van Ouzo. Geen haar op mijn kop die er aan denkt om nat te worden (tenzij het een regenbui is). Ik zou al mijn stiletto’s op scherp zetten als ze dit soort fratsen met me uit willen halen. Die kleine Griek heeft een goed voorbeeld gemist. Hopelijk pakken zijn huisgenoten zijn verdere opleiding goed aan.
Vlak voor Kerst is het eindelijk zo ver. Ouzo krijgt een vrijbrief om los door het huis te mogen rennen om zijn furmilie te ontmoeten, die hem met open poten ontvangt.
‘Is het verhaal nu wel af?’ wil ik weten. Mo knikt instemmend. ‘Maar nu weet ik nog steeds niet wat dit met de walm te maken heeft die om je heen hangt. ’ Dan komt de aap uit de mouw. ‘Dat is omdat ik Ouzo heb mogen ontmoeten.‘ Zolang het maar bij een bezoekje blijft, mopper ik. Jij bent en blijft mijn enige echte Japie, belooft ze. En ze voegt er aan toe: Je kunt niet alle dieren van de wereld redden, maar voor sommige kun je wel een wereld van verschil maken. Zoals ik voor jou heb kunnen doen, Japie, en mijn vriendin voor dit Griekse katertje. Welkom thuis, lieve Ouzo.
Wij wensen al onze furriendjes een veilige jaarwisseling en een meow jaar vol lief en zacht en Saamehorigheid.
Koppie van Japie
Tevreden stap ik door m’n luik de keuken in. Tijdens een tussentijdse inspectieronde heb ik een hoop nieuwe vindplaatsen ontdekt. Purcies wat ik nodig heb. Ik rook ze al van verre. Hoeveel er wonen dat ontdek ik vannacht. Met een beetje mazzel heb ik er dan genoeg. De tijd dringt.
jaar staat mijn hoofd er helemaal niet naar. Om dan ook nog een verjaardag te vieren. Nee hoor, ik heb er geen zin in!’ Even blijft het stil. Tot de andere kant weer begint. Mijn mens reageert niet zo vaak geëmotioneerd. Niet als Foppe tegen de gordijnen pist. Niet als tante Cato vanaf de bovenste traptree aan ver spugen doet. Ook niet als ik de restanten van de jacht onvoldoende heb weggemoffeld. Ze zucht altijd alleen maar als ze weer met een emmer sop in de weer gaat.
Saame met Foppe en tante Cato had ik iets kattastisch bedacht. Zelfs CW vond het een purrrfect idee om groots uit te pakken. Stel je eens voor. Een reusachtige doos met een purrachtige strik er om heen. Als Mo op de ochtend van haar verjaardag uit bed komt, staat het gevaarte als blikvanger midden in de kamer. Daar kan ze niet omheen. Terwijl wij in koor hiep hiep hieper de PIEP miauwen trekt ons mens het lint los. Op dat moment springen er als furrassing zestig muizen uit. Voor ieder levensjaar eentje. Met een grote dikke vette bruine knoeperd extra uit de tuin van KeverT als wens voor het komend jaar. Ik zie het al helemaal voor me.


Kattentaart, muizensoep, kattentaart, muizensoep, kattentaart, muizensoep. Eén voor één bijt ik het zoveelste klittenbolletje uit mijn vacht. Nog zo’n 9246875321 te gaan. Dan weet ik zeker wat ik ga maken voor Toffe KeverT. Mijn grote furriend van de blog op zondag was pas jarig. Omdat hij zelf altijd voor ons en voor iedereen zulke lekkere hapjes maakt, wil ik iets speciaals voor hem doen. Iets dat hij zelf nog niet eerder zo lekker heeft gegeten. Ik denk aan een enorme kattentaart; dé tip van Jajim voor feesten en partijen. Of toch muizensoep? Dat zou een kattastisch visitekaartje zijn voor Muisbezorgd! Waar ben ik gebleven? Kattentaart, muizensoep, kattenstaart, muizenstoep, kattensoep, muizentaart. Koppie erbij houden, Japie! miauw ik streng tegen me zelf, anders raak je het spoor bijster. Kattentaart, muizensoep, kattentaart, ….
Muissoep
tijd zijn er heel wat vreemdelingen gekomen en ook weer gegaan, omdat het beter met ze ging. Altijd was er ruimte voor een extra bordje en een extra aai over hun bol, zonder dat wij moesten inboeten. Tante Cato heeft altijd het beste plekje in bed gehouden, dicht tegen ons mens aan. Ze hoeft niet bang te zijn. Want liefde is er altijd. Gratis en voor niks en in overvloed. Ik heb wel eens gelezen dat liefde het enige is dat zich vermenigvuldigt als je het deelt. Al heb ik geen furstand van wiskunde ik zie in de praktijk dat het zo werkt.
De zon is allang wakker als ik mijn naam hoor roepen: ‘Japie. Jaaapie.’ Loom strek ik mijn poten uit. Ik lig hier meer dan heerlijk onder de prikkelbosjes. In gedachten dwaal ik terug naar het donker. De klopjacht was bijzonder geslaagd. De korte pootjes, de glimmende oogjes, de schubbige staart. Het besliste in mijn voordeel. Met trage, stevige halen duw ik mijn ruwe tong over mijn overvolle buik. Zo’n massage is goed voor de spijsvertering heb ik wel eens gehoord. De stem van mijn mens gaat een paar octaven omhoog: ‘Jaaapie! JAAAPIE!!’ Ik geloof dat ik mijn neus maar even moet gaan laten zien thuis.
Ik klauter omhoog mijn boom in tot aan het plankje waar ik purrrfect uitzicht heb op de keukendeur. Lang hoef ik niet te wachten. Met een zwaai gooit ze em open en vlak voor Mo mijn naam wil roepen, ziet ze me al liggen. Met tranen in haar ogen komt ze op me afgestormd. Na wat katpriolen op het plankje, nog wat knipoogjes en een paar zachte kopjes weet ik dat ze me al vergeven heeft. Mijn mens is zo makkelijk te paaien. ‘Kom, kleine belhamel, je eten staat klaar.’ Beter blijf ik liggen om uit te buiken, maar wil geen argwaan wekken. Zo energiek mogelijk spring ik uit mijn boomhut en voor de show ren ik achter aan haar. Ze mag niet te weten komen dat ik al meer dan genoeg gegeten heb.
nog een zoen op mijn kop sta ik katzijdank weer met vier poten op de grond.