Categorie archieven: Japie

Japie: een feelgood furhaal over een kleine Griekse god

Japie met tante Doortje

Allemiauws, wat een walm. Zodra ze de drempel overstapt, ruik ik het direct. Onmiskenbaar de geur van een rivaal. Eentje met walnoten of misschien zelfs sambaballen. Ik weet dat mijn mens andere katten ontmoet, iedere week weer. Dat heeft ze bedongen, toen ik mijn poot onder haar adoptiepapieren zette. Dat ze blijft zorgen voor dieren zonder thuis. Anders ging het feest niet door. Meestal doet ze dat heel subtiel. Bij thuiskomst heeft ze altijd een andere vacht aan dan waarmee ze eerder op de dag vertrekt. Maar deze keer stinkt haar verschoning alsnog een uur in de wind. Naar een andere kater dus! We moeten nodig miauwen, mijn mens en ik.
Niet veel later zit ze dromerig met een bakkie leut naar buiten te staren, een grote glimlach op haar gezicht. Ze lijkt mij niet te zien, terwijl ik pal aan haar voeten zit. Ze zal toch niet furliefd zijn? Daar moet ik heel gauw een poot voor steken. Ik spring naast haar op de bank waarna ze achteloos begint te aaien. Pas als ik op het punt sta mijn stilleto’s uit te slaan merkt ze me eindelijk op. Poeslief vraagt ze wat er aan de hand is. Dan doe ik mijn boekje open. Over haar vreemdgaan. ‘Het is niet wat je denkt, Japie’, antwoord ze. ‘Dit gaat over een Griekse God. Wil je zijn furhaal horen?’ Schoorpotend geef ik toe dat ik wel meowsgierig ben naar mijn concurrent. Mijn mens begint te vertellen.

Vakantie

Ouzootje net gevonden

Het is hartje zomer als mijn vriendin met haar gezin op vakantie gaat naar een Grieks eiland waar het verzengend heet is. Om koel te blijven vermaken ze zich met plonsen in het zwembad en ijsjes die ze halen in het dorp. Altijd nemen ze het paadje rechtsom hun verblijf. Op hun laatste vakantiedag besluiten ze in een opwelling linksom te lopen. Alsof dat zo moest zijn. Ze keuvelen over de smaak ijs als een van hen plots een geluid opmerkt. ‘Stil eens,’ vermaant ze iedereen, ‘ik hoor iets piepen.’ Eén keer horen ze het allemaal, een heel iel miauwtje en dan blijft het muisstil. Niet veel later vinden ze een kittentje, zo klein dat het makkelijk in hun hand past. Zijn mama is in geen velden of wegen te bekennen. Het kan niet meer op zijn pootjes staan, zo slap is zijn lijfje van honger en dorst. Zijn oogjes zitten dicht door aangekoekte viezigheid. In zijn smoezelige jasje krioelen honderden beestjes. Maar daaronder een zwoegend borstje dat zijn best doet om levenslucht binnen te halen. Ze aarzelen geen seconde. De een snelt naar de supermarkt voor eten, de ander smokkelt het ukje naar de hotelkamer, weer een ander gaat op zoek naar hulp. En zo komt reddingsactie Ouzo in allerijl op gang. Maar waar begin je in een land waar ze anders om gaan met dierenlevens dan je gewend bent?
De kleine van hooguit vijf weken oud is een knokkertje. Met zijn laatste krachten probeert hij iets van eten binnen te krijgen dat ze met het topje van hun pink aan zijn bekje smeren. Een pincet uit de toilettas blijkt perfect om korte metten te maken met het vlooiencircus. Het gezin zet alles op alles om een dierenarts te vinden die bereid is de ieniemienie Ouzo kans te geven. Met de onbetaalbare hulp van een lokale stichting die voor zwerfdieren zorgt, vinden ze er eentje op een halfuur rijden. Terwijl ze wachten op een taxi (want ja, er gaat daar niet zomaar een bus heen), pakken ze snel hun eigen spullen in. De tijd dringt, want hun vliegtuig vertrekt binnen afzienbare tijd. Ademloos luister ik hoe het verder gaat. Mijn hart hamert in mijn borst. Als dit maar goed komt.

Meedogenloos

De dierenarts is meedogenloos. Euthanasie is de enige optie, want wie moet er voor de kleine zorgen als zij terug gaan naar Nederland? ‘Neem hem mee,’ schreeuw ik, ‘neem hem mee!’ ‘Kon dat maar zo makkelijk, Japie,’ zegt mijn mens terwijl ze me kalmeert, ‘je mag niet zomaar een dier meenemen uit een ver land. Daar zijn allerlei regels en wetten voor. Luister maar verder, hoe komt goed. Want daar is het een (waargebeurd!) kerstverhaal voor zoals we ieder jaar vertellen.’ Weer is het de stichting die helpt. Op het eiland is een Nederlands sprekend gastgezin, die de zorg voor Ouzo op zich wil nemen, terwijl ze al voor tientallen zorgen in hun eigen huis zorgen. Na nog een laatste knuffel laten ze hem achter met de belofte dat ze alle kosten op zich nemen en hem zullen adopteren zodra dat mogelijk is.

Furever home

Ouzo viert kerst bij zijn meowe furmilie
Ouzo viert kerst bij zijn meowe furmilie

Na drie maanden van intensieve zorg in het gastgezin is Ouzo sterk genoeg om op eigen poten te staan. Met een poespoort vol internationale stempels stapt de jongeman als handbagage van een bereidwillige toerist mee aan boord van een vliegtuig dat hem naar Amsterdam brengt. Daar staat het voltallige gezin op hem te wachten om hem mee te nemen naar zijn furever home. Opgelucht haal ik adem, tijd om wat te snacken. Als ik weg wil lopen, zegt mijn mens: ‘Het verhaal is nog niet helemaal klaar, Japie. Wil je de rest ook nog horen?’
Ik kruip terug op schoot als ze verder vertelt. In zijn nieuwe huis wonen niet alleen mensen, ook drie katten en een hond. Voordat ze elkaar gaan ontmoeten, moet Ouzo nog één keer naar een Nederlandse dierenarts voor een laatste check. De vreugde slaat om in teleurstelling als die vertelt dat er rare vlekjes in de nog dunne vacht van Ouzo zitten. Die zijn besmettelijk voor de rest van de furmilie. Hij moet in quarantaine. Weken zit hij opgesloten in een kamertje waar hij katzijdank wel bezoek mag ontvangen van zijn personeel mits ze zich in een wit pak hijsen. Hij moet vaak in bad en vieze pillen eten.
Ondanks alles blijft hij vrolijk en lief, weet Mo. Dat vind ik knap van Ouzo. Geen haar op mijn kop die er aan denkt om nat te worden (tenzij het een regenbui is). Ik zou al mijn stiletto’s op scherp zetten als ze dit soort fratsen met me uit willen halen. Die kleine Griek heeft een goed voorbeeld gemist. Hopelijk pakken zijn huisgenoten zijn verdere opleiding goed aan.
Vlak voor Kerst is het eindelijk zo ver. Ouzo krijgt een vrijbrief om los door het huis te mogen rennen om zijn furmilie te ontmoeten, die hem met open poten ontvangt.
‘Is het verhaal nu wel af?’ wil ik weten. Mo knikt instemmend. ‘Maar nu weet ik nog steeds niet wat dit met de walm te maken heeft die om je heen hangt. ’ Dan komt de aap uit de mouw. ‘Dat is omdat ik Ouzo heb mogen ontmoeten.‘ Zolang het maar bij een bezoekje blijft, mopper ik. Jij bent en blijft mijn enige echte Japie, belooft ze. En ze voegt er aan toe: Je kunt niet alle dieren van de wereld redden, maar voor sommige kun je wel een wereld van verschil maken. Zoals ik voor jou heb kunnen doen, Japie, en mijn vriendin voor dit Griekse katertje. Welkom thuis, lieve Ouzo.

Wij wensen al onze furriendjes een veilige jaarwisseling en een meow jaar vol lief en zacht en Saamehorigheid.

Koppie van Japie

Japie: moet het feest doorgaan?

Tevreden stap ik door m’n luik de keuken in. Tijdens een tussentijdse inspectieronde heb ik een hoop nieuwe vindplaatsen ontdekt. Purcies wat ik nodig heb. Ik rook ze al van verre. Hoeveel er wonen dat ontdek ik vannacht. Met een beetje mazzel heb ik er dan genoeg. De tijd dringt.

Zodra het donker wordt, ga ik doelgericht op pad en sla toe. Eerst thuis de afwas doen, want ook die taak hoort erbij en doe ik met overgave. Mijn tante heeft iets heerlijks voor me laten liggen. Ze snapt maar al te goed dat alles van mij afhangt. Alleen met een goed gevulde buik kan ik mijn werk voor Muisbezorgd serieus doen.
Voor deze opdracht ben ik extra gemotiveerd. Gulzig begin ik aan de restanten van de vis die tante Cato niet meer blieft. Na het schoonlikken van de binnen- èn de buitenkant laat ik mijn tong over mijn snorharen glijden. Ik ben zo bezig met nagenieten dat ik amper door heb wat er in de woonkamer aan de poot is. Daar kom ik snel genoeg achter.

Ze wil niet

Mijn mens zit met verhitte wangen op de bank, de telefoon op haar schoot. Vanuit de speaker hoor ik vragen: “Maar waarom zou je het niet vieren? Het is toch een kroonjaar?! Heeft het met de doosjes *) te maken?” ‘Ik vier mijn verjaardag nooit en ook nu niet.’ Mo klinkt resoluut. ‘December is toch al niet mijn favoriete maand met al die feestdagen. Dit jaar staat mijn hoofd er helemaal niet naar. Om dan ook nog een verjaardag te vieren. Nee hoor, ik heb er geen zin in!’ Even blijft het stil. Tot de andere kant weer begint. Mijn mens reageert niet zo vaak geëmotioneerd. Niet als Foppe tegen de gordijnen pist. Niet als tante Cato vanaf de bovenste traptree aan ver spugen doet. Ook niet als ik de restanten van de jacht onvoldoende heb weggemoffeld. Ze zucht altijd alleen maar als ze weer met een emmer sop in de weer gaat.
Maar nu, tijdens dit telefoongesprek, hoor ik hoe haar stem langzaam een paar octaven hoger wordt en er frustratie in doorsijpelt. De beller snapt niet waarom mijn mens geen dagje vrij neemt. Aan alles merk ik dat degene aan de andere kant van de telefoon graag langs wil komen brengen. En dat is nou net waar Mo geen zin in heeft. Ze vindt het niet erg om een jaartje ouder te worden. Maar ze houdt er niet van om in de schijnwerpers te staan. En al helemaal niet om nog meer spullen te krijgen.
‘December is een maand van veel te veel overvloed,’ zegt ze, ‘daar hoeft niet nog meer bij. Ik ben die dag gewoon aan het werk. Als je echt iets wilt geven, maak dan iets over aan een goed doel. Dat levert veel meer blije snoetjes op.’

Groots uitpakken

Ik denk aan de eenenveertig muizen die al klaar liggen. Nog maar negentien te gaan. Het zou een knaller van een katdo moeten worden. Maar na het afluisteren van dit gesprek ga ik twijfelen aan ons plan.
Saame met Foppe en tante Cato had ik iets kattastisch bedacht. Zelfs CW vond het een purrrfect idee om groots uit te pakken. Stel je eens voor. Een reusachtige doos met een purrachtige strik er om heen. Als Mo op de ochtend van haar verjaardag uit bed komt, staat het gevaarte als blikvanger midden in de kamer. Daar kan ze niet omheen. Terwijl wij in koor hiep hiep hieper de PIEP miauwen trekt ons mens het lint los. Op dat moment springen er als furrassing zestig muizen uit. Voor ieder levensjaar eentje. Met een grote dikke vette bruine knoeperd extra uit de tuin van KeverT als wens voor het komend jaar. Ik zie het al helemaal voor me.
Maar nu weet ik het niet meer. Wat denken jullie?

Koppie van Japie

*) zie mijn letters op de Beestboek van een tijdje geleden

Japie: een schreeuw in het donker

Geen spoor van muizen
Same in de boomhut

Het is een gewone avond zoals altijd. Nou ja, bijna. Na weken van kraakheldere nachten zijn er donkere wolken voor de maan, die zelf ook nog eens meer dan de helft kleiner is dan een paar dagen geleden. Het maakt het lastiger om de sterren te zien. Maar ik weet dat ze er zijn.

Ze sprankelen altijd. Het is een kwestie van wachten. Tot het echt goed donker is en de wolken voorbij drijven. Ik zit klaar in mijn boom om naar iedereen te zwaaien. Naar alle furrienden die op aarde gemist worden. Vanuit mijn boomhut heb ik zicht op het slaapkamerraam. Daarachter zit tante Cato. Zij heeft liever alle pootjes op de vloer. Daarom zwaait ze vanachter het venster naar haar grote liefde, Oom Willem. Als die wolken nou maar eens opzij willen gaan.

Poesitieve recensie

Ik moet even ingedut zijn, want opeens schrik ik wakker van een ijselijke kreet. Een keiharde miauw die de nacht doorklieft en door merg en poot gaat. Het is tante Cato die zo hard schreeuwt dat het drie straten verderop te horen moet zijn: ‘Japie! JAAPIE!!!!’ Ik ben acuut klaarwakker. Zo snel als mijn poten kunnen, klauter ik omlaag langs de gladde stam, spring ik tussen de verdorde planten, maak een sliding over natte bladeren en dender door het luik op kattenooghoogte. Na een sprintje de trap op ben ik bij de dame in nood. Ik hoop maar dat Oom Willem ziet dat ik heel goed voor zijn furkering zorg. Buiten adem kom ik tot stilstand bij de vensterbank waar tante Cato met grote ogen naar het plafond staart. Ze verrekt bijna haar smalle nekje dat opeens centimeters langer lijkt dan anders.

Ik kijk dezelfde richting op, maar zie niks. Voor ik mijn bek open kan trekken, maant ze me tot stilte. ‘Ssstttt, luister eens.’ Ik spits mijn oren en draai met mijn harige schelpen alle richtingen op om af te stemmen op de juiste golflengte. Warempel, nu hoor ik het ook. Nauwelijks waarneembaar maar onmiskenbaar. Het getrippel van piepkleine pootjes. ‘Ik denk dat je kantoor is gekraakt’, fluistert ze. Verschrikt staar ik naar boven. Zou ik de deur van de koeling niet goed hebben dichtgedaan na de laatste bestellingen?
Sinds Lucky een kattastische recensie heeft gedaan over de supersnelle levering in Krullieland is de belangstelling voor de verse producten van Muisbezorgd enorm toegenomen. Ik moet ons mens wakker maken, om me te helpen met de zware vlieringtrap. Daar hoef ik weinig moeite voor te doen. Mo zit al kaarsrecht overeind in bed en tuurt met van diezelfde grote ogen als m’n tante naar het witte vlak boven haar.

Oproerkraaiers

Samen inspectie van de vliering

De veren van het luik piepen en kraken als Mo het houten ding naar beneden trekt. Voor de uitschuif trap de grond raakt, schuif ik haar opzij. Met vier rappe poten ben ik veel sneller. Zodra ik met een ferme klap mijn eerste nagels in de houten vloer klauw, hoor ik ze alle kanten op schieten. Wat een lafaards. Eerst uitdagend zingen en dansen, totdat de baas er aan komt. Dan is het opeens muisstil. Met een kop die op onweer staat, speur ik om me heen. Geen staartje te zien. Grommend ga ik alle hoeken en gaten van de opslag van Muisbezorgd af. Waar ik ook kijk op de vliering nergens een spoor van die oproerkraaiers. Ik ruik ze wel, maar zie ze echt nergens.

Met het licht aan helpt Mo mee zoeken. Dat ik een uit de poot gelopen hobby heb, vindt ze prima, zolang ze er maar geen last van heeft. Muizenhardloopwedstrijdjes boven haar hoofd houden haar uit haar slaap. Daarom is ze vastberaden om dit tot op de bodem uit te zoeken. Na een intensieve zoektocht zonder resultaat komen we tot de slotsom dat die piepbeesten op een onbereikbare plek zitten: tussen het plafond en de vloer. De vlieringsnuiter heeft zijn werk zo goed gedaan dat zelfs tante Cato daar met haar ranke lijf niet meer komen.
Zou ik nog garantie hebben op die klus?

Koppie van Japie

Japie: alles loopt in de soep. Of toch niet?

Kattentaart, muizensoep, kattentaart, muizensoep, kattentaart, muizensoep. Eén voor één bijt ik het zoveelste klittenbolletje uit mijn vacht. Nog zo’n 9246875321 te gaan. Dan weet ik zeker wat ik ga maken voor Toffe KeverT. Mijn grote furriend van de blog op zondag was pas jarig. Omdat hij zelf altijd voor ons en voor iedereen zulke lekkere hapjes maakt, wil ik iets speciaals voor hem doen. Iets dat hij zelf nog niet eerder zo lekker heeft gegeten. Ik denk aan een enorme kattentaart; dé tip van Jajim voor feesten en partijen. Of toch muizensoep? Dat zou een kattastisch visitekaartje zijn voor Muisbezorgd! Waar ben ik gebleven? Kattentaart, muizensoep, kattenstaart, muizenstoep, kattensoep, muizentaart. Koppie erbij houden, Japie! miauw ik streng tegen me zelf, anders raak je het spoor bijster. Kattentaart, muizensoep, kattentaart, ….

Muissoep

…. muizensoep! Hè hè, ik kan geen klittenbolletje meer tussen mijn tanden voelen. Tijd om mijn jas uit de poten te steken. De koelingen op de vliering puilen uit van diepgevroren piepbeesten. De oudjes met al wat taaier vlees zijn purrrfect om bouillon van te trekken tot het als draadjes van hun botjes valt. Zo gemiauwd, zo gedaan. Uren later vult de keuken zich met de meest furrukkullukke geuren, dat een aanlokkende werking heeft op buurtgenoten. Daar zitten een paar meowkomers bij. De laatste weken zijn er veel mensen in onze wijk veranderd van hun huis. Mijn oude furrienden met snorharen zijn mee furhuisd. Met de nieuwe heb ik amper kennis gemaakt. Een pan muissoep zou wel eens een laagdrempelige manier kunnen zijn om dit te doen. Als een ware gastheer zet ik kommetjes neer vol met geurige bouillon. In mum van tijd staat de tuin vol met smikkelende soortgenoten. Al heb ik geen idee hoe ze heten we maken er Saame een klein feestje van.

Stekelig

‘Eruit,’ klinkt het vanuit het niets, ‘ERUIT!’ Mijn meowe furrienden stuiven verschrikt alle kanten op. Als een wervelwind maakt tante Cato korte metten met ons spontane feestje. Ondanks haar frêle lijfje staat ze haar mannetje. Ik wist al dat mijn tante niet voor de poes is, maar om nu als een viswijf iedereen zonder pardon de tuin uit te krijsen?! Wat overblijft is een oorverdovende stilte en een bijna lege pan soep. Zo snel als ze furieus naar buiten kwam gestierd, zo traag slentert ze nog briesend naar haar schuilplek onder de tuintafel. Verbouwereerd kijk ik haar na en vraag me af wat er zojuist is gebeurd. Er is maar één manier om daar achter te komen en het mijn tante op de kat af vragen. Ze reageert fel: ‘Ik ken die wildvreemde katten niet en wil ze niet in mijn tuin hebben.’ ‘Maar het is toch ook mijn tuin, onze tuin. Ik wil graag furrienden met ze worden. Dan leren we elkaar toch kennen?!’ Boos bromt tante Cato verder: ‘Ze gaan maar in hun eigen tuin zitten. Bij hun eigen mensen. Daar waar ze vandaan komen.’ Nu ze zo haar stekels heeft opgezet, heeft het geen zin om verder te miauwen. Het is tijd om naar KeverT te gaan.

Bang

Met nog maar een bodempje van het brouwsel kom ik aan in de tuin van mijn Amsterdamse furriend. Terwijl ik vertel wat er gebeurde, verdelen we het laatste beetje uit de pan eerlijk voor iedereen die er is. Saame smikkelen Kevert en Pokon en Mikkie en Juultje van de muissoep. ‘Misschien is je tante wel bang dat er geen plek meer voor haar overblijft’, opperen ze. Ik denk terug aan de vier jaar dat ik nu een eigen thuis heb. In al die tijd zijn er heel wat vreemdelingen gekomen en ook weer gegaan, omdat het beter met ze ging. Altijd was er ruimte voor een extra bordje en een extra aai over hun bol, zonder dat wij moesten inboeten. Tante Cato heeft altijd het beste plekje in bed gehouden, dicht tegen ons mens aan. Ze hoeft niet bang te zijn. Want liefde is er altijd. Gratis en voor niks en in overvloed. Ik heb wel eens gelezen dat liefde het enige is dat zich vermenigvuldigt als je het deelt. Al heb ik geen furstand van wiskunde ik zie in de praktijk dat het zo werkt.
KeverT heeft een geweldig plan. In zijn tuin wemelt het van de bruine knoeperds. Grote en kleine. Ze zijn purrrrfect om pannen vol heerlijke bouillon te maken. Die kunnen we uitdelen. Natuurlijk nodigen we tante Cato ook uit, zodat iedereen elkaar kan leren kennen. Want alleen Saame komen we er achter dat soep nooit zo heet wordt gegeten als hij wordt opgediend.

Koppie van Japie

Psssst Benjamin heeft mijn boom niet omver kunnen blazen. Ieder donker klim ik naar boven om te zwaaien naar alle sterren. We denken aan jullie. Voor altijd.

Japie: geen plaats voor taart

De zon is allang wakker als ik mijn naam hoor roepen: ‘Japie. Jaaapie.’ Loom strek ik mijn poten uit. Ik lig hier meer dan heerlijk onder de prikkelbosjes. In gedachten dwaal ik terug naar het donker. De klopjacht was bijzonder geslaagd. De korte pootjes, de glimmende oogjes, de schubbige staart. Het besliste in mijn voordeel. Met trage, stevige halen duw ik mijn ruwe tong over mijn overvolle buik. Zo’n massage is goed voor de spijsvertering heb ik wel eens gehoord. De stem van mijn mens gaat een paar octaven omhoog: ‘Jaaapie! JAAAPIE!!’ Ik geloof dat ik mijn neus maar even moet gaan laten zien thuis.

Doen alsof

Op mijn gemakkie slenter ik naar de tuin, waar tante Cato me met ogen als schoteltjes tegemoet komt. Is ze nou boos of is ze bang? Zou er iets aan de poot zijn? Mijn zorgeloze gevoel van zojuist maakt plaats voor iets anders. ‘Waar was je nou, Japie?! Je hebt zelfs mijn derde ontbijt gemist.’ Ik voel mijn buik en weet dat er geen hap meer bij kan na mijn enorme maal van Muisbezorgd. Tante Cato moppert verder: ‘Mo is hartstikke ongerust. Ze is bang dat je kwijt bent. Uitgerekend op je nekvelgrijpdag.’ Oeps, dat moet ik even laten bezinken. Over die nekvelgrijpdag, die ik liever furgeet. Of nou ja, de periode vóór die bewuste dag. Daarna is mijn leven er alleen maar op vooruit gegaan.
Ik klauter omhoog mijn boom in tot aan het plankje waar ik purrrfect uitzicht heb op de keukendeur. Lang hoef ik niet te wachten. Met een zwaai gooit ze em open en vlak voor Mo mijn naam wil roepen, ziet ze me al liggen. Met tranen in haar ogen komt ze op me afgestormd. Na wat katpriolen op het plankje, nog wat knipoogjes en een paar zachte kopjes weet ik dat ze me al vergeven heeft. Mijn mens is zo makkelijk te paaien. ‘Kom, kleine belhamel, je eten staat klaar.’ Beter blijf ik liggen om uit te buiken, maar wil geen argwaan wekken. Zo energiek mogelijk spring ik uit mijn boomhut en voor de show ren ik achter aan haar. Ze mag niet te weten komen dat ik al meer dan genoeg gegeten heb.

Bolle buik

Er staat een rijtje afwas van mijn broer en tante. Ik snuf er even aan, voel mijn maag oprispen en loop verder. Dat had ik beter niet kunnen doen. Mo tovert in een ommezwaai een bakje met vers vlees tevoorschijn. Als ik ook dat negeer, zijn de brokken gaar. Bij het optillen voelt ze mijn opgeblazen buik, die nog net geen burp zegt. ‘O, o, Japie, heb je een feestje gevierd vannacht?! Dat snap ik wel hoor, jochie’, murmelt ze liefkozend in mijn jas. Ze lijkt door te hebben dat ik nu geen polonaise aan mijn lijf wil. Toch dansen we heel langzaam Saame een klein rondje door de kamer. Mijn bolle buik in haar armen, mijn wollige wang tegen haar zachte warme wang. Tot mijn furbazing lijkt ze helemaal niet boos. Ze dreigt niet eens met witjas. ‘Gefeliciteerd Japie,’ fluistert ze in mijn oor, ‘dat je vandaag al vier jaar bij ons woont. Ik ben zo dankbaar dat je uitgerekend bij mij in de tuin bent gaan zitten toen je hulp nodig had. Weet je nog, ventje, hoe het allemaal begon?’ Na nog een zoen op mijn kop sta ik katzijdank weer met vier poten op de grond.
Ik voel aan alles dat Mo heel blij is met deze dag en dat ze het uitgebreid wil vieren. Liever wil ik gaan liggen. Mijn buik is echt heel erg vol. Gelukkig voelt ze dit haarfijn aan. Wat dat betreft heeft ze best wel wat geleerd in al die jaren. Dat ik niet gelijk naar een dokter hoef als ik een keer geen trek heb in eten bijvoorbeeld. Ze weet inmiddels dat als er een grote, bruine knoeperd op mijn menu heeft gestaan dat mijn buik opzwelt als een ballon en dat ik dan voor twee dagen genoeg gegeten heb. Als ze aan de koffie zit, duik ik naast haar op de bank. Ze heeft haar fijne blauwe vest aan. Die sabbelt zo lekker. Terwijl ze achter mijn oren kriebelt, vallen mijn ogen dicht. In de verte hoor ik haar nog zeggen. ‘Zal ik je furhaal over je nekvelgrijpdag maar voor de andere keer bewaren, Japie?!’ Ik vind alles best als ik nu maar mag slapen. Ik droom over kattentaart, waar Jajim pas zo mooi over miauwde. Het water loopt me in de bek. Als ik wakker schiet, voel ik hoe het kwijl langs mijn kin druipt. Ik had me enorm furheugd op zo’n kattastische taart naar het recept van Willem, Jajim en Frou Frou. Maar ik weet nu al dat ik die voor vandaag op mijn buik kan schrijven.

Koppie van Japie

Psssst Omdat Mo druk is met andere dingen blijven, reageren we niet op jullie letters op de blog. Ik had het al gemiauwd op Beestboek, maar miauw het hier ook even, zodat jullie niet denken, waarom is die Japie zo stil. Hij zal ons toch niet furgeten zijn. Hoe zouden we jullie nou kunnen furgeten, lieve furriendjes?! Soms vraagt het leven om andere prioriteiten.