Categorie archieven: Japie

Japie: alles loopt in de soep. Of toch niet?

Kattentaart, muizensoep, kattentaart, muizensoep, kattentaart, muizensoep. Eén voor één bijt ik het zoveelste klittenbolletje uit mijn vacht. Nog zo’n 9246875321 te gaan. Dan weet ik zeker wat ik ga maken voor Toffe KeverT. Mijn grote furriend van de blog op zondag was pas jarig. Omdat hij zelf altijd voor ons en voor iedereen zulke lekkere hapjes maakt, wil ik iets speciaals voor hem doen. Iets dat hij zelf nog niet eerder zo lekker heeft gegeten. Ik denk aan een enorme kattentaart; dé tip van Jajim voor feesten en partijen. Of toch muizensoep? Dat zou een kattastisch visitekaartje zijn voor Muisbezorgd! Waar ben ik gebleven? Kattentaart, muizensoep, kattenstaart, muizenstoep, kattensoep, muizentaart. Koppie erbij houden, Japie! miauw ik streng tegen me zelf, anders raak je het spoor bijster. Kattentaart, muizensoep, kattentaart, ….

Muissoep

…. muizensoep! Hè hè, ik kan geen klittenbolletje meer tussen mijn tanden voelen. Tijd om mijn jas uit de poten te steken. De koelingen op de vliering puilen uit van diepgevroren piepbeesten. De oudjes met al wat taaier vlees zijn purrrfect om bouillon van te trekken tot het als draadjes van hun botjes valt. Zo gemiauwd, zo gedaan. Uren later vult de keuken zich met de meest furrukkullukke geuren, dat een aanlokkende werking heeft op buurtgenoten. Daar zitten een paar meowkomers bij. De laatste weken zijn er veel mensen in onze wijk veranderd van hun huis. Mijn oude furrienden met snorharen zijn mee furhuisd. Met de nieuwe heb ik amper kennis gemaakt. Een pan muissoep zou wel eens een laagdrempelige manier kunnen zijn om dit te doen. Als een ware gastheer zet ik kommetjes neer vol met geurige bouillon. In mum van tijd staat de tuin vol met smikkelende soortgenoten. Al heb ik geen idee hoe ze heten we maken er Saame een klein feestje van.

Stekelig

‘Eruit,’ klinkt het vanuit het niets, ‘ERUIT!’ Mijn meowe furrienden stuiven verschrikt alle kanten op. Als een wervelwind maakt tante Cato korte metten met ons spontane feestje. Ondanks haar frêle lijfje staat ze haar mannetje. Ik wist al dat mijn tante niet voor de poes is, maar om nu als een viswijf iedereen zonder pardon de tuin uit te krijsen?! Wat overblijft is een oorverdovende stilte en een bijna lege pan soep. Zo snel als ze furieus naar buiten kwam gestierd, zo traag slentert ze nog briesend naar haar schuilplek onder de tuintafel. Verbouwereerd kijk ik haar na en vraag me af wat er zojuist is gebeurd. Er is maar één manier om daar achter te komen en het mijn tante op de kat af vragen. Ze reageert fel: ‘Ik ken die wildvreemde katten niet en wil ze niet in mijn tuin hebben.’ ‘Maar het is toch ook mijn tuin, onze tuin. Ik wil graag furrienden met ze worden. Dan leren we elkaar toch kennen?!’ Boos bromt tante Cato verder: ‘Ze gaan maar in hun eigen tuin zitten. Bij hun eigen mensen. Daar waar ze vandaan komen.’ Nu ze zo haar stekels heeft opgezet, heeft het geen zin om verder te miauwen. Het is tijd om naar KeverT te gaan.

Bang

Met nog maar een bodempje van het brouwsel kom ik aan in de tuin van mijn Amsterdamse furriend. Terwijl ik vertel wat er gebeurde, verdelen we het laatste beetje uit de pan eerlijk voor iedereen die er is. Saame smikkelen Kevert en Pokon en Mikkie en Juultje van de muissoep. ‘Misschien is je tante wel bang dat er geen plek meer voor haar overblijft’, opperen ze. Ik denk terug aan de vier jaar dat ik nu een eigen thuis heb. In al die tijd zijn er heel wat vreemdelingen gekomen en ook weer gegaan, omdat het beter met ze ging. Altijd was er ruimte voor een extra bordje en een extra aai over hun bol, zonder dat wij moesten inboeten. Tante Cato heeft altijd het beste plekje in bed gehouden, dicht tegen ons mens aan. Ze hoeft niet bang te zijn. Want liefde is er altijd. Gratis en voor niks en in overvloed. Ik heb wel eens gelezen dat liefde het enige is dat zich vermenigvuldigt als je het deelt. Al heb ik geen furstand van wiskunde ik zie in de praktijk dat het zo werkt.
KeverT heeft een geweldig plan. In zijn tuin wemelt het van de bruine knoeperds. Grote en kleine. Ze zijn purrrrfect om pannen vol heerlijke bouillon te maken. Die kunnen we uitdelen. Natuurlijk nodigen we tante Cato ook uit, zodat iedereen elkaar kan leren kennen. Want alleen Saame komen we er achter dat soep nooit zo heet wordt gegeten als hij wordt opgediend.

Koppie van Japie

Psssst Benjamin heeft mijn boom niet omver kunnen blazen. Ieder donker klim ik naar boven om te zwaaien naar alle sterren. We denken aan jullie. Voor altijd.

Japie: geen plaats voor taart

De zon is allang wakker als ik mijn naam hoor roepen: ‘Japie. Jaaapie.’ Loom strek ik mijn poten uit. Ik lig hier meer dan heerlijk onder de prikkelbosjes. In gedachten dwaal ik terug naar het donker. De klopjacht was bijzonder geslaagd. De korte pootjes, de glimmende oogjes, de schubbige staart. Het besliste in mijn voordeel. Met trage, stevige halen duw ik mijn ruwe tong over mijn overvolle buik. Zo’n massage is goed voor de spijsvertering heb ik wel eens gehoord. De stem van mijn mens gaat een paar octaven omhoog: ‘Jaaapie! JAAAPIE!!’ Ik geloof dat ik mijn neus maar even moet gaan laten zien thuis.

Doen alsof

Op mijn gemakkie slenter ik naar de tuin, waar tante Cato me met ogen als schoteltjes tegemoet komt. Is ze nou boos of is ze bang? Zou er iets aan de poot zijn? Mijn zorgeloze gevoel van zojuist maakt plaats voor iets anders. ‘Waar was je nou, Japie?! Je hebt zelfs mijn derde ontbijt gemist.’ Ik voel mijn buik en weet dat er geen hap meer bij kan na mijn enorme maal van Muisbezorgd. Tante Cato moppert verder: ‘Mo is hartstikke ongerust. Ze is bang dat je kwijt bent. Uitgerekend op je nekvelgrijpdag.’ Oeps, dat moet ik even laten bezinken. Over die nekvelgrijpdag, die ik liever furgeet. Of nou ja, de periode vóór die bewuste dag. Daarna is mijn leven er alleen maar op vooruit gegaan.
Ik klauter omhoog mijn boom in tot aan het plankje waar ik purrrfect uitzicht heb op de keukendeur. Lang hoef ik niet te wachten. Met een zwaai gooit ze em open en vlak voor Mo mijn naam wil roepen, ziet ze me al liggen. Met tranen in haar ogen komt ze op me afgestormd. Na wat katpriolen op het plankje, nog wat knipoogjes en een paar zachte kopjes weet ik dat ze me al vergeven heeft. Mijn mens is zo makkelijk te paaien. ‘Kom, kleine belhamel, je eten staat klaar.’ Beter blijf ik liggen om uit te buiken, maar wil geen argwaan wekken. Zo energiek mogelijk spring ik uit mijn boomhut en voor de show ren ik achter aan haar. Ze mag niet te weten komen dat ik al meer dan genoeg gegeten heb.

Bolle buik

Er staat een rijtje afwas van mijn broer en tante. Ik snuf er even aan, voel mijn maag oprispen en loop verder. Dat had ik beter niet kunnen doen. Mo tovert in een ommezwaai een bakje met vers vlees tevoorschijn. Als ik ook dat negeer, zijn de brokken gaar. Bij het optillen voelt ze mijn opgeblazen buik, die nog net geen burp zegt. ‘O, o, Japie, heb je een feestje gevierd vannacht?! Dat snap ik wel hoor, jochie’, murmelt ze liefkozend in mijn jas. Ze lijkt door te hebben dat ik nu geen polonaise aan mijn lijf wil. Toch dansen we heel langzaam Saame een klein rondje door de kamer. Mijn bolle buik in haar armen, mijn wollige wang tegen haar zachte warme wang. Tot mijn furbazing lijkt ze helemaal niet boos. Ze dreigt niet eens met witjas. ‘Gefeliciteerd Japie,’ fluistert ze in mijn oor, ‘dat je vandaag al vier jaar bij ons woont. Ik ben zo dankbaar dat je uitgerekend bij mij in de tuin bent gaan zitten toen je hulp nodig had. Weet je nog, ventje, hoe het allemaal begon?’ Na nog een zoen op mijn kop sta ik katzijdank weer met vier poten op de grond.
Ik voel aan alles dat Mo heel blij is met deze dag en dat ze het uitgebreid wil vieren. Liever wil ik gaan liggen. Mijn buik is echt heel erg vol. Gelukkig voelt ze dit haarfijn aan. Wat dat betreft heeft ze best wel wat geleerd in al die jaren. Dat ik niet gelijk naar een dokter hoef als ik een keer geen trek heb in eten bijvoorbeeld. Ze weet inmiddels dat als er een grote, bruine knoeperd op mijn menu heeft gestaan dat mijn buik opzwelt als een ballon en dat ik dan voor twee dagen genoeg gegeten heb. Als ze aan de koffie zit, duik ik naast haar op de bank. Ze heeft haar fijne blauwe vest aan. Die sabbelt zo lekker. Terwijl ze achter mijn oren kriebelt, vallen mijn ogen dicht. In de verte hoor ik haar nog zeggen. ‘Zal ik je furhaal over je nekvelgrijpdag maar voor de andere keer bewaren, Japie?!’ Ik vind alles best als ik nu maar mag slapen. Ik droom over kattentaart, waar Jajim pas zo mooi over miauwde. Het water loopt me in de bek. Als ik wakker schiet, voel ik hoe het kwijl langs mijn kin druipt. Ik had me enorm furheugd op zo’n kattastische taart naar het recept van Willem, Jajim en Frou Frou. Maar ik weet nu al dat ik die voor vandaag op mijn buik kan schrijven.

Koppie van Japie

Psssst Omdat Mo druk is met andere dingen blijven, reageren we niet op jullie letters op de blog. Ik had het al gemiauwd op Beestboek, maar miauw het hier ook even, zodat jullie niet denken, waarom is die Japie zo stil. Hij zal ons toch niet furgeten zijn. Hoe zouden we jullie nou kunnen furgeten, lieve furriendjes?! Soms vraagt het leven om andere prioriteiten.

Japie: als een vis in het water

Japie! Nee!
Wachten, Japie!
Japie, laat Cato rustig eten.
Iedere ochtend hetzelfde liedje.

Ontbijttijd

Na de nachtelijke kattiviteiten voor Muisbezorgd soes ik rond het ochtendgloren onder de prikkelbosjes. Bij de eerste buzzer schiet ik overeind. Ik weet dat die over een paar minuten weer klinkt. En nog een keer. Dan pas springt mijn mens uit bed. Nou ja, springen, met haar strammer wordende lijf hijst ze zich eruit. Voordat zij rechtop staat en slaapdronken de trap af is gestommeld, ben ik al vanaf de straatzijde om ons huis heen gerend, onder heg door en klababber door het kattenluik. Zo komen we precies tegelijk in de keuken aan. Fijn dat je er bent, Japie zegt ze dan en geeft me liefkozend een aai over m’n bol. Dan pas komt mijn broer aangerend om luid miauwend om de benen van ons mens te gaan draaien. Ik heb al em al zo vaak gezegd dat hij de boel juist stagneert met zijn gedrentel. Het is tegen dovekatersoren. ‘Eerst de bakjes en zakjes en lekkere hapjes, jongens’, zingt ze steevast. Wat dat betreft heeft ze geen ochtendhumeur. Er volgt gegarandeerd een struikelpartij. Want Foppe loopt zigzaggend voor Mo uit als zij onze ontbijtspullen klaar zet. Na een paar pirouetjes kan ze dan toch aan de slag. Blèrend springt mijn broer tegen de koelkast aan, alsof hij in jaren geen eten heeft gehad. Zo onpotig, want in de koelkast staan juist de meest exquise lekkernijen. Die worden daar bewaard, omdat ik de koelkast niet eigenpotig open krijg.

Lekkerbekkend

In het eerste bakje gaat van die furrukkullukke liquid snack. Met een paar goed bedoelde smakeloze druppeltjes die de klierende klier van m’n tante minder laten klieren. Het water loopt me in de bek als ik dat ruik. Mijn broer en ik rennen smachtend achter dat bakje met lekkers aan. Tevergeefs. Tante Cato zit braaf onder aan de trap te wachten. Met een zwierige zwaai en ‘dames gaan voor’ zet Mo het smikkelgoedje voor haar neus. Als een waakhond blijft ze er net zo lang bij staan tot m’n tante het bakje likje voor likje voor likje voor likje voor likje leeg heeft gemaakt. Voor ik het kan afwassen grist Mo het razendsnel van de grond. Terug naar het aanrecht. Eindelijk worden dan alle bakjes gevuld met vlees. Of nog beter, ik ruik vis. Mijn lievelings. Het kwijl loopt langs mijn bek.
Met twee bakjes balancerend boven haar hoofd loopt Mo weer eerst naar de eetplek van tante Cato. Die rustig aan de vis begint te likken. Foppe springt omhoog om alvast zijn bakje te pakken te krijgen. Ik ren er achter aan in de hoop dat het op de grond klettert. Als een ware acrobaat zet ons mens het met wat omwegen voor hem neer onder de tafel in de woonkamer. Mijn broer trekt een vieze snoet. Alweer dieetvoer. Mo ziet zijn beteuterde koppie en zegt zoals iedere ochtend ‘Sorry, ventje, anders krijg je buikpijn.’ Met lange tanden begint hij er aan, terwijl ook hij liever vis eet. Terug naar de keuken waar ik e i n d e l i j k mijn ontbijt krijg. Dat het afdankertjes zijn van m’n tante daar kan ik mee leven. Die zijn altijd beter dan het niet te vreten dieetvoer van mijn broer. Hap slik hap slik en weg is het. Ik kuier naar de woonkamer om het bakje van Foppe toch maar af te wassen. Iemand moet het doen, toch?!

Berisping

Voor ik naar de gang kan sluipen, hoor ik het. ‘Japie! Nee!’ Ik snap er niks van. Waar is Mo? Ik zie haar niet, maar hoor haar wel. Haar stem gaat rustig maar kordaat verder: ‘Wachten, Japie!’ Ik zet een poot naar achter. ‘Goed zo, lieverd.’ Twee stappen naar voren. ‘Japie, laat tante Cato eens rustig eten.’ En zo gaat het door. M’n tante kijkt onrustig om zich heen, ziet mij liggen en geeft zich gewonnen. Voordat zij zich kan omdraaien om er ijlings vandoor te gaan, zit de vis al in mijn buik. Die lekkernij kan maar binnen zijn. De reprimande die er op volgt, deert me niet. Tante Cato krijgt heus wel nieuw eten. Als ik dan maar niet achter het net vis.

Koppie van Japie

Japie: een tekennest heeft ook voordelen

Van alle kanten komt de vraag: ‘Hoe gaat het met de kriebelbeestjes?’ Tja, wat zal ik daar eens op miauwen?! Het is maar hoe je het bekijkt. Het gaat goed. En het gaat niet goed. Zal ik met het slechte meows beginnen? Het gaat niet goed met de beestjes. Met de kriebelaars zelf bedoel ik.
Al is mijn mens van een vredelievend soort ze heeft ze allemaal om zeep geholpen. Dat is best raar, want er kwam geen sop aan te pas. Daarmee kom ik gelijk op het goeie meows. We zijn verlost van al die naarlingen. Tot op zekere hoogte. Ik zal jullie miauwen hoe dat komt.

Pineut

Vorige keer furtelde ik dat we alle drie zo’n koud, nat, stinkend goedje in onze nek hebben gekregen. Geheel tegen onze zin! Het heeft nul komma nul effect om op de barrikatten te gaan. Op dit punt is ons mens onverbiddelijk. Het is voor een goed doel, vindt ze. De kleine gluiperdjes houden namelijk niet van dit spul. En zij houdt niet van kleine gluiperdjes.
Eerlijk gemiauwd, houden wij ook niet van die jeuk. Je krabt je suf. Tegen beter weten in. Want die ieniemienie beestjes weten keer op keer te ontsnappen om vervolgens een paar centimeter van je krabbende poot verder te gaan met irriteren. Mijn broer en tante hebben mazzel. De kriebelbeestjes vinden mij het allerallerlekkerst. Daarom ben ik extra de pineut. Dat ik per ongeluk op het huis ga liggen waar ze wonen, blijkt ook niet zo potig. Van hun verblijf naar mijn jas is het slechts één minisprong. Daarna tijgeren ze massaal tussen mijn lange haren door met als ultieme uitdaging: een slokje van mijn bloed. Daar zit nou net het venijn.

In de nesten

Zo ziet het tangetje eruit

De verre familie van Dracula laat zich niet afschrikken door de cocktail uit het pipetje. Dat dacht mijn mens lange tijd. Dat de geur – dat spul ruikt helaas niet naar kattenkruid – zo overweldigend zou zijn dat kriebelbeestjes als vanzelf uit mijn buurt zouden blijven. Niets is minder waar. Pas als ze met dat goedje in aanraking komen, krijgen ze hun vleugels. Daarvoor moeten ze eerst hun tanden in mijn huid zetten. De smaak kan niet anders dan afschuwelijk zijn. Het lijkt erop dat ze zo schrikken van wat ze proeven dat ze vergeten mij los te laten. De hoektandjes van hun kleine kaakjes zetten zich muurvast. En blijven vast. Voor altijd.
Tenzij mijn mens die kaakjes open wrikt en mij bevrijdt van die monsterlijke types. Al doe ik nog zo mijn best met mijn vlijmscherpe stiletto’s het lukt me met geen mogelijkheid om ze los te krijgen. Het enige dat gebeurt is dat ik kramp krijg in mijn achterpoot, dreadlocks draai van mijn haar en mezelf open krabbel. Daarom inspecteert Mo me tig keer per dag. Haar vingers gaan pijlsnel door mijn vacht op zoek naar bobbeltjes. Purcies op die plek vouwt ze m’n lange haren voorzichtig opzij om de snoodaard op te sporen. Met een speciaal haakje wipt ze hem – of haar – eruit. Soms istie kleiner dan klein en glipt tussen het haakje vandaan.
Wat volgt is operatie pincet. Ik doe mijn uiterste best om me in te houden. Want van al dat gefrunnik krijg ik juist weer kriebels. Het liefst sla ik al mijn nagels uit en klauw ze diep in haar handen. ‘Zachtjes Japie,’ zegt ze dan, ‘zachtjes’. Vanuit het niets tovert ze kipsnackjes tevoorschijn. Tijdens die afleidingsmanoeuvre slaat ze toe en rukt de barbaar uit mijn jas.
Nu ik er zo over na denk, zijn die extra snoepies best een goeie deal. Hoogste tijd om mezelf maar weer eens in de nesten te werken.

Koppie van Japie

Japie: mijn mens krijgt de kriebels


Het zachte gekriebel onder mijn wangen maakt me soezerig. Traag glijden de vingers heen en weer, steeds weer, tot ik knikkebol. Ken je dat gevoel, dat je kop naar beneden valt, terwijl je eigenlijk wakker wilt blijven om te genieten van het moment? Voor mijn ogen langzaam dichtvallen kijk ik naar haar op. ‘Wat is dit lang geleden, Mo,’ verzucht ik, ‘dat we Saame op de bank zaten.’ Mijn mens streelt mijn kop en drukt me dichter tegen zich aan. ‘Dat is het zeker, lieve Japie, ik heb jou ook zo enorm veel gemist.’ Zou ze speciaal voor mij die lekkere zachte broek met pantervlekken aan hebben getrokken? Die is kattastisch om tegen aan te slapen. Ik voel mijn lijf steeds meer ontspannen, terwijl haar vaardige vingers purcies de juiste plekjes aaien. Vergeten en vergeven is haar vele afwezigheid. Nu is ze er. En ze is helemaal van mij. Niets kan dit gelukzalige moment verstoren. Of toch wel?!

Schijnwerper

‘Wat is dat bij je oor, Japie?‘ Traag til ik een ooglid op. Wat nu weer? We hebben het net zo fijn met elkaar. Ik voel hoe zo over me heen buigt, om het beter te kunnen zien. ‘Er zit echt iets in je oor hoor!’ Dat weet ik, het kietelt er al een tijdje, en het boeit me niks. Niet nu ik zo lekker lig. Kan het niet wachten?! Ze pakt die verfoeide telefoon die ze eindelijk eens had weggelegd. Daar was ze de laatste tijd zo druk mee. Met bellen en typen en gedoe. Nu blijkt er ook nog een schijnwerper op dat apparaat te zitten. Ze richt het felle licht op mijn oor en slaakt een kreet in de net nog zo serene ruimte. Weg is de rust. ‘Jakkie Japie, er kruipen vlooien uit je oor!’ Dat was het dus wat ik steeds voelde. Lekker laten zitten, probeer ik nog, maar het is tegen dovemans oren. Ze luistert niet, springt van de bank, rent naar de kast, rukt een laatje open en komt terug gesneld met iets in haar hand. Voor ik het weet, drukt ze een koud goedje in mijn nek. Ik ben te verbouwereerd om te protesteren. Dat ze tegelijkertijd een handvol kipsnackjes onder mijn snufferd legt, helpt misschien wel poesitief mee.

Van kwaad tot erger

Nadat ze mijn broer en tante ook heeft overvallen met zo’n goor pipetje begint ze aan het fleecekleed te trekken, waar ik net zo lekker op lig. ‘Ga er eens af, Japie, het moet in de was. Nu!’ In allerijl verzamelt ze onze mandjes en propt ze in de wasmachine. Als daarna de stofzuiger tevoorschijn komt, is de sfeer definitief verpest. Ons momentje van geluk Saame was van korte duur. Ik kan me maar beter met katse dingen gaan bezig houden en duik de geheimen van het donker in.
De volgende avond ligt het kleed fris gewassen op de bank. Vlak voor ze naar bed gaat, kruip ik bij haar. Alles lijkt weer normaal. Totdat Mo me begint te aaien. In een fractie van een seconde sta ik wederom in de spotlights. Misschien had ik eerst even moeten miauwen dat ik per ongeluk op een tekennest was gaan liggen. Maar het is al te laat. Ze weet dat ik een bloedhekel heb aan kammen en toch waagt ze het om met dat stalen ding door mijn jas te gaan. Laat ik het erop houden dat we daarna weinig gezellig doen tegen elkaar. Haar stem gaat steeds een paar octaven hoger als ze me maant om mee te werken. Ik trek alles uit de kast om dat tegen te gaan. Katzijdank zijn mijn stiletto’s in optima forma. Zij houdt mij in een houtgreep, ik haar. Ondertussen gillen we tegen elkaar. Dat er niemand aanbelt om te vragen wat er aan de poot is, is een wonder.

Weer bij zinnen

Tot diep in de nacht trekt ze wederom de stofzuiger op de hoogste stand achter zich aan. Geen enkel plekje ontkomt aan het brullende zuigmonster. De wasmachine draait op volle toeren. Ieder hoekje wordt minutieus onderzocht op sporen van beestjes. Kasten worden uitgesopt. Alles wat schoon en droog is, gaat in vuilniszakken die hermetisch worden dichtgeknoopt. Nergens een zacht plekje, zelfs het matras gaat van bed. Als na een paar

Tante Cato vraagt waar ze moet liggen

licht en donkers van grondig boenen de eerste herfststorm losbarst, kijkt tante Cato ons mens vragend aan. ‘Waar moet ik slapen? Ik kan toch niet met mijn magere botjes op de harde grond liggen?’ Verdoofd door slaapgebrek kijkt Mo om zich heen en ziet ons half ontmantelde huishouden. Dat is het moment dat Mo na dagen van waanzin langzaam bij haar positieven komt. In allerijl scheurt ze de vuilniszakken open waar de schone manden uit buitelen. Met tranen in haar ogen tilt ze m’n tante op en legt haar voorzichtig op het dikste en zachtste kleed. Foppe krijgt een paar ferme zoenen, terwijl ze goedmakende woorden in zijn vacht fluistert. Dan ben ik aan de beurt. Zachtjes wrijf ik tegen haar handen die ruw zijn geworden van het soppen. ‘Sorry ventje,’ zegt ze met gesmoorde stem, ‘ik wil zo graag met je kroelen, maar ik krijg ook nog steeds jeuk van je.’ Ik doe alsof ik dat niet gehoord hebt en kruip zo dicht mogelijk tegen haar aan. Dat is gewoon de beste remedie tegen dit soort kriebels.

Koppie van Japie