‘Nee, hè, Japie, ik heb net gedweild’, kreunt ze als ik door het luik de keuken binnen dender en slippend bij m’n voerbak tot stilstand kom. Verbouwereerd kijk ik omhoog. Niet omdat ze me een standje geeft, maar omdat er niks nada noppes niente in dat bakje zit. Hoe kan dat, wil ik weten.
Haar ogen spreken boekdelen, al weet ik niet zo goed of ze zo boos kijkt, omdat ik net een enorm modderspoor achter me heb gelaten of… Lang laat ze me niet in twijfel. ‘Als ik me niet vergis, heb ik je vannacht met een piepbeest thuis horen komen?!’ Het is niet echt een vraag, meer een constatering. ‘Dat was maar een voorgerechtje,’ protesteer ik, ‘hooguit een amuise. Dat telt niet mee.’ Mijn mens is niet gevoelig voor mijn argumenten. Als toetje mag ik de afwas doen. Katzijdank hebben mijn broer en tante genoeg voor me laten staan. Anders had ik wel eens een appelflauwte kunnen krijgen.
Tijd voor bissniss
Met een toch nog gevulde buik poets ik mijn snorharen tot ze glimmen. Een purrfecte gelegenheid om terug te denken aan dat ene moment. Dat mijn urenlange wachten in weer en wind werd beloond. Gewoon muisstil blijven liggen, totdat ze zelf honger krijgen. Het is zaak om niet meteen toe te slaan als het friemelende snuitje met de nieuwsgierige kraaloogjes en frêle snorhaartjes uit het holletje piept. Als je maag nog niet rammelt, krijg je spontaan trek bij het zien van dat goddelijke schepsel. Nee, het vraagt om uiterste zelfbeheersing om je poot pas op het schubbige staartje te zetten alsie er helemaal uit is.
Terwijl ik er zo over nadenk, doorstroomt me een gelukzalig gevoel van kop tot staart. Nu weet ik het zeker. Het is tijd om mijn bissniss serieuzer aan te gaan pakken. Na de eerdere vrije val is Muisbezorgd de winterdip meer dan goed te boven gekomen. Ik kan van alles miauwen over m’n tante, dat ze streng is enzo, maar ondertussen deed ze wel onderzoek naar hoe het zit met een website. Alle voors en tegens heeft ze afgewogen. En de brok is doorgehakt! Tante Cato heeft haar poottekening gezet onder een contract met iemand die alle voorzieningen treft om een eigen website de lucht in te krijgen. Ja, ja, jullie lezen het goed. Muisbezorgd krijgt een heuse internetsite. Is dat geen kattastisch meows?!
Geduld
Jullie moeten je meowsgierigheid nog wel heel eventjes bedwingen. De hulptroepen die er meer kaas van hebben gegeten dan alle muizen in Joeps weiland bij elkaar, hebben me verteld dat er wat technische puntjes op de ie gezet moeten worden. Maar het komt allemaal goed. Na iedere update word ik steeds enthousiaster. Er komt een online a-CAT-emy, zodat jullie vanuit je warme mand les kunnen volgen. Verder een deliKATesserubriek, een vaKATurepagina en nog meer. Het liefst zou ik nu keihard willen miauwen ‘hou de socials in de gaten’ alleen doen we daar al een tijdje niet meer aan. Daarom hoop ik dat jullie tegen die tijd veel bek-tot-bekreclame willen maken om Muisbezorgd nog meer op de kaart te zetten.
Voor degenen die al een kijkje willen nemen, via de grote googeldoos is mijn site nog niet te vinden. Wel als je in de adresbalk de naam van mijn bedrijf intikt, daar een puntje achter zet, gevolgd door nl. Je zult zien dat de technische ploeg ermee bezig is, terwijl ik mijn poten vol heb aan waar het allemaal om draait: muizen vangen.
Wauw miauw, toffe furriendjes, ik kan het wel van de daken schreeuwen. Alleen kom ik met geen mogelijkheid mijn dak op. Dat loopt schuin af. Voor ik op de nok ben, schuif ik honderdduizend keer naar beneden. Zeker met de gladheid van de laatste tijd. Daarom miauw ik het hier.
Zal ik het zachtjes doen? Tuurlijk niet! Dit moet iedereen kunnen horen: MUISBEZORGD ZIT WEER IN DE LIFT. Tof, hè?! Allemaal door jullie aanmoediging.
Oeps, het was niet zo potig om zo hard te schreeuwen. Mijn mens komt polshoogte nemen. Met ogen vol donkere kringen kijkt ze me streng aan. ‘Geen muizen meer, Japie. Je weet wat ik heb gezegd. In ons huis komen enkel mensen en katten. Alle andere dieren zijn veel liever buiten. Ook als het koud is. Ik wil geen enkele muis meer in huis. Ook geen ratten. Ook geen vogels. Die moeten allemaal buiten blijven! In huis alleen maar katten. Knoop dat in je oren!’ Haar tirade liegt er niet om. Met mijn allerliefste smoel knik ik braaf en denk ondertussen terug aan een kattastische tijd, die begon met een bibberende veldmuis. Die kan ik toch niet in de kou laten zitten?!
Muis in huis
Wat is dat toch met vrouwen. Nu komt tante Cato zich er ook mee bemoeien. ‘Dat was toch de muis van je broer, als ik me niet vergis? Zijn snorharen hebben in tijden niet zo geglommen van trots.’ Beschaamd laat ik mijn kop hangen. Ik kan wel miauwen dat ik heb meegeholpen, maar eerlijk is eerlijk, het was Foppe die em mee naar binnen bracht èn losliet in de woonkamer. Daarna heeft hij het beest met zijn leven bewaakt, urenlang, tot Mo uit haar werk kwam. Wel was het stom van hem om niet aan te komen rennen, toen de voerbakken werden gevuld. Anders was die muis nooit op tijd ontdekt en hadden we die nacht urenlang speelplezier gehad. Niet dat het uitmaakt. Het feest is meer dan goedgemaakt.
Moet ik het nog hebben over die ene vogel die slap in mijn bek hing? Ik zal er kort over zijn. Liever denk ik niet terug aan dit moment. Mo liep al in pyjama toen ze me er mee binnen zag komen door het luik. Voor ik me onder de tafel kon installeren om het dier vol veren te ontleden, had ze me al opgepakt en met vogel en al via de voordeur op straat gezet. Ik hoorde haar nog net zeggen voor ze de deur achter me dicht deed: ‘Ik heb het je al zo vaak gezegd, Japie, géén dieren in huis! Je eet em buiten maar op.’ Op dat moment had ik sneller moeten rennen. Ik was net een fractie te laat. Nog voordat ik mijn poot tussen het luik kon proppen, hoorde ik het slot hermetisch dicht gaan. Daar stond ik dan met een slappe vogel tussen mijn kaken in de vrieskou.
Grote Bruine Knoeperd
Nee liever heb ik het over mijn trots, een grote bruine knoeperd met een isolatielaag waar je u tegen miauwt. Mijn mens was extra vroeg naar bed gegaan na de zoveelste slapeloze nacht. Niet door mij hoor. Mijn broer en tante moesten zo nodig de boel op stelten zetten met maaginhoud die minder lekker viel. Hadden ze maar iets moeten bestellen bij Muisbezorgd in plaats van dat vlees uit een zakje eten.
Hoe dan ook, Tante Cato en Foppe hadden zich bij ons mens op het matras in de woonkamer genesteld. Daar was het lekker warm. Ze waren alle drie diep in slaap toen ik op kousenpoten binnenkwam met een nieuwe furriend gehuld in een diepdonkerbruine jas en een meterslange robuuste staart. Het was nogal een gesjouw met zo’n bakbeest in mijn bek. Om bij te komen, liet ik hem los. Eventjes maar. Geloof mij, dat kun je beter niet doen in de buurt van je slapende mens. Zo was op slag wakker, knipte het licht aan en wist gelijk hoe laat het was. Half één, om precies te zijn. Zwijgend pakte ze haar beddengoed, bracht het naar boven in de ijskoude slaapkamer waar een gemene oostenwind door de kieren gierde. Ze kwam terug om de status van mijn GBK te bestuderen en knoopte daarna de gordijnen omhoog. ‘Sorry’, zei ze tegen het beest met zijn grote bruine kraalogen, waarom dat snap ik niet zo goed. Voor ze de deur dicht deed, liet ze me weten dat ik het zelf maar moest opknappen. Daar zat ik dan, samen met mijn vangst. En had de tijd van mijn leven. Zo rond de klok van vijf was het gevecht beslecht.
En kwam ik als winnaar uit de bus. Als dat geen opsteker is voor Muisbezorgd weet ik het niet meer.
Wauw miauw, allerliefste furrienden, jullie dachten massaal mee na mijn furhaal waarin ik mijn zorgen uitte over Muisbezorgd. Katlega’s uit de wijde omtrek en ver daarbuiten staan in de startblokken om in de lente aan de slag te gaan.
Ze helpen niet alleen zelf mee, ze vragen ook hulptroepen. Buurtpoezels worden ingezet, zodra de tijd rijp is. Er is een cursuscentrum in oprichting waar katspiranten de fijne kneepjes van het vak in de poten kunnen krijgen. En Ollie – de master van de blogs himself – heeft kattastische tips gegeven. Ik slaap met een gerust hart, onder een heerlijk, warme deken vol poesitiviteit die jullie met zijn allen over me heen hebben gelegd. Het is niet zo dat ik nu op mijn lauweren kan gaan rusten. Ik leg uit waarom.
Mo doet raar
Alles lijkt weer normaal. De sneeuw is weg. Mo gaat naar het werk. Tijd om te dutten, net zoals mijn broer en tante. Ik droom mooie dromen over Muisbezorgd en over de uitwerking van alle plannen. Met het opleidingscentrum, met katvertenties, met hulp van al mijn toffe katlega’s en furrienden. En misschien wel met een eigen website. Daar ga ik zelf eerst een studie naar doen. Het is al bijna donker als ik mijn naam hoor. Het is mijn mens die roept dat ik uit de tuin van de buren moet komen. Ik snap niet dat wat ze daar doet. Weet ze dan niet dat ik prinsheerlijk bij de kachel lig te ronken?
De dag erna ben ik diep in slaap als Mo thuis komt. Ze is hoogst verbaasd om me te zien. ‘Jij was net toch buiten, Japie?! Ik zag je onder de struiken vandaan rennen en de hoek om vliegen. Je oren deden het niet toen ik je riep.‘ Slaapdronken laat ik haar weten dat er niks mis is met mijn oren en dat ze haar bril moet oppoetsen. Dan had ze gezien dat ik het niet was, want ik was al die tijd hier.
Zorgen om Mo
Een dag later lig ik in de vensterbank als Mo aan komt fietsen. Een purrrfecte plek om alles in de smiezen te houden. Ik zie hoe een vaag type onder de struiken vandaan komt en razendsnel richting een met dichte klimop begroeide muur sprint. Eén keer knipperen met m’n ogen en de ragebol is uit het zicht verdwenen. Als mijn mens maar niet gezien heeft waar die vreemde op vier poten de muur door ging. Dan komt mijn geheime ingang aan het licht. ‘Japie, Japie,’ roept mijn mens, ‘ga je mee naar huis?’ Mijn mens trekt wit weg als ik haar in de gang enthousiast begroet. Ze snapt er niks van. Eerlijk gemiauwd, ik ook niet. Moet ik me zorgen gaan maken om Mo?
Weer een dag later, hetzelfde ritueel. Ik moet weten wat hier aan de poot is. Als alle lampen uit zijn, kom ik in actie. Door de geheime ingang sluip ik de tuin in die ik op mijn pootje ken. Het is de tuin van Berdus, mijn toffe furriend met wie ik zoveel avonturen heb beleefd. Voor ik verder op onderzoek ga, klauter ik de muur op om naar hem te zwaaien, zoals ik ieder donker doe. Zijn fonkelende ster danst Saame met heel veel andere, die zo gemist worden op aarde. Hij wijst dat ik achter me moet kijken, naar het raam. Ik schrik me duizenden muizenstaarten in de rondte. Want daar achter het glas zit iemand die veel – wat miauw ik – heeeeeel veel op mij lijkt. Het is alsof ik mezelf zie zitten.
Een extra jaap
De dag erna sta ik oog in oog met mijn look-a-like. We zijn als twee druppels water. Met dat verschil dat mijn dubbelganger een piepklein wit vlekje op de borst heeft. Laat ik het netjes miauwen, onze kennismaking verloopt niet echt soepel. Als Mo terug komt van brokken verdienen, hoor ik haar niet roepen. Die boodschap heb ik mijn nieuwe buur wel duidelijk kunnen maken. Alleen flauw dat ik er een flinke hijs voor terug kreeg. Nu heb ik een gleuf op mijn kop. Zo eentje als in een spaarpot. Waar zal ik eens voor gaan sparen?
‘Mo, we moeten nodig praten! Nu het meeste gedoe voorbij is, is het tijd om de draad weer op te pakken. Want mijn handel ligt plat. Als het zo doorgaat, is Muisbezorgd binnenkort failliet, foetsie, met één veeg van de kaart, verdwenen!’ Die woorden komen binnen bij mijn mens. Ik heb direct haar volle aandacht.
‘Wat is er precies aan de hand, Japie?’, vraagt ze en ik brand los. Met horten en stoten begin ik over griep, zwaailichten, knallen, sirenes en sneeuw. De woorden tuimelen over elkaar. ‘Kom eens bij me, ventje, eerst maar eens rustig ademhalen.’ Ze trekt me op schoot voor een aai- en kriebelbeurt en voegt direct de daad bij het woord. Zachtjes gaan haar vaardige vingers langs mijn wangen en onder m’n kin. Heen en weer, steeds weer, net zo lang tot mijn oogleden als vanzelf zwaarder worden.
Van loeiheet
‘Ik ben zo blij dat je weer beter bent,’ mompel ik gesmoord, ‘je bleef maar hoesten. Ik kon er gewoon niet van slapen. Eerlijk gemiauwd is slaapgebrek een drama voor mijn concentratie. Het had totaal geen zin om op jacht te gaan. Ik heb nachtenlang niets gevangen. Zoiets is funest voor Muisbezorgd!’ Mo aait rustig door, terwijl ik verder ga. Over dat ik het doodeng vond toen met dat feest waar KeverT al voor had gewaarschuwd. De knallen en flitsen kwamen van alle kanten en gingen door merg en poot. Het voelde alsof we omsingeld waren door oorverdovend vuurwerk. Toen er ook nog ontelbaar veel sirenes kwamen en zwaailichten die onophoudelijk doorgingen, wist ik het helemaal niet meer. ‘Dat was heel erg eng, Japie’, geeft Mo toe. ‘Ik vond het ook heel spannend dat er vlammen uit de auto’s kwamen in de parkeergarage aan de overkant.’ Ik kijk mijn mens aan. Vond zij het ook eng? Daar heb ik helemaal niets van gemerkt. Ze bleef zo kalm terwijl ze met haar hoofd tussen de dichte gordijnen door nauwlettend in de gaten hield wat er voor de deur gebeurde. ‘Denk je dat de muizen oververhit zijn geraakt door de brand?’ Daar moet ze over nadenken. ‘Dat weet ik niet zeker, Japie. Wel dat muizen superslim en razendsnel zijn. Ze konden vast allemaal op tijd weg komen.’ Ik hoop het zo, want ik heb er sindsdien niet één meer gezien.
Naar ijskoud
Die informatie moet ik eerst laten bezinken. Vlak voor ik in slaap dreig te vallen, bedenk ik me nog iets. ‘Mo, voor ik het vergeet, die heel dikke laag van dat ijskoude, witte spul, hè, dat blokkeerde de uitgangen van alle muizenholen die ik in de wijde omtrek weet te vinden. Dat kan toch niet goed zijn voor die beestjes, van kokend heet naar ijzig koud?! Hoe moeten de muizen zichzelf trouwens vetmesten als ze door de sneeuw niet op zoek kunnen naar eten?’ Nu ik alles zo opgesomd heb, zakt de moed me tot diep in m’n poten. Ik denk niet dat het ooit nog goed gaat komen met Muisbezorgd. Omdat mijn Beestboek al maanden stil ligt, kan ik geen nieuwe katlega’s werven. De bestellingen liggen op zijn gat, terwijl ik zo had gehoopt dat de feestdagen voor een opleving zouden zorgen. Tot overmaat van ramp komen daar die enorme temperatuurschommelingen bij. Mocht ik al een muis kunnen vangen, dan zit er waarschijnlijk kraak noch smaak aan.
Tips gevraagd
Mocht iemand purrrrfecte tips hebben om Muisbezorgd op de poot te houden ik hou me aanbevolen. Voorlopig ga ik slapen. Tot het lente wordt ofzo. Of als er een blik kipsnackjes wordt opengetrokken. Daar mag je me altijd voor wakker maken.
Allemiauws, wat een walm. Zodra ze de drempel overstapt, ruik ik het direct. Onmiskenbaar de geur van een rivaal. Eentje met walnoten of misschien zelfs sambaballen. Ik weet dat mijn mens andere katten ontmoet, iedere week weer. Dat heeft ze bedongen, toen ik mijn poot onder haar adoptiepapieren zette. Dat ze blijft zorgen voor dieren zonder thuis. Anders ging het feest niet door. Meestal doet ze dat heel subtiel. Bij thuiskomst heeft ze altijd een andere vacht aan dan waarmee ze eerder op de dag vertrekt. Maar deze keer stinkt haar verschoning alsnog een uur in de wind. Naar een andere kater dus! We moeten nodig miauwen, mijn mens en ik.
Niet veel later zit ze dromerig met een bakkie leut naar buiten te staren, een grote glimlach op haar gezicht. Ze lijkt mij niet te zien, terwijl ik pal aan haar voeten zit. Ze zal toch niet furliefd zijn? Daar moet ik heel gauw een poot voor steken. Ik spring naast haar op de bank waarna ze achteloos begint te aaien. Pas als ik op het punt sta mijn stilleto’s uit te slaan merkt ze me eindelijk op. Poeslief vraagt ze wat er aan de hand is. Dan doe ik mijn boekje open. Over haar vreemdgaan. ‘Het is niet wat je denkt, Japie’, antwoord ze. ‘Dit gaat over een Griekse God. Wil je zijn furhaal horen?’ Schoorpotend geef ik toe dat ik wel meowsgierig ben naar mijn concurrent. Mijn mens begint te vertellen.
Vakantie
Ouzootje net gevonden
Het is hartje zomer als mijn vriendin met haar gezin op vakantie gaat naar een Grieks eiland waar het verzengend heet is. Om koel te blijven vermaken ze zich met plonsen in het zwembad en ijsjes die ze halen in het dorp. Altijd nemen ze het paadje rechtsom hun verblijf. Op hun laatste vakantiedag besluiten ze in een opwelling linksom te lopen. Alsof dat zo moest zijn. Ze keuvelen over de smaak ijs als een van hen plots een geluid opmerkt. ‘Stil eens,’ vermaant ze iedereen, ‘ik hoor iets piepen.’ Eén keer horen ze het allemaal, een heel iel miauwtje en dan blijft het muisstil. Niet veel later vinden ze een kittentje, zo klein dat het makkelijk in hun hand past. Zijn mama is in geen velden of wegen te bekennen. Het kan niet meer op zijn pootjes staan, zo slap is zijn lijfje van honger en dorst. Zijn oogjes zitten dicht door aangekoekte viezigheid. In zijn smoezelige jasje krioelen honderden beestjes. Maar daaronder een zwoegend borstje dat zijn best doet om levenslucht binnen te halen. Ze aarzelen geen seconde. De een snelt naar de supermarkt voor eten, de ander smokkelt het ukje naar de hotelkamer, weer een ander gaat op zoek naar hulp. En zo komt reddingsactie Ouzo in allerijl op gang. Maar waar begin je in een land waar ze anders om gaan met dierenlevens dan je gewend bent?
De kleine van hooguit vijf weken oud is een knokkertje. Met zijn laatste krachten probeert hij iets van eten binnen te krijgen dat ze met het topje van hun pink aan zijn bekje smeren. Een pincet uit de toilettas blijkt perfect om korte metten te maken met het vlooiencircus. Het gezin zet alles op alles om een dierenarts te vinden die bereid is de ieniemienie Ouzo kans te geven. Met de onbetaalbare hulp van een lokale stichting die voor zwerfdieren zorgt, vinden ze er eentje op een halfuur rijden. Terwijl ze wachten op een taxi (want ja, er gaat daar niet zomaar een bus heen), pakken ze snel hun eigen spullen in. De tijd dringt, want hun vliegtuig vertrekt binnen afzienbare tijd. Ademloos luister ik hoe het verder gaat. Mijn hart hamert in mijn borst. Als dit maar goed komt.
Meedogenloos
De dierenarts is meedogenloos. Euthanasie is de enige optie, want wie moet er voor de kleine zorgen als zij terug gaan naar Nederland? ‘Neem hem mee,’ schreeuw ik, ‘neem hem mee!’ ‘Kon dat maar zo makkelijk, Japie,’ zegt mijn mens terwijl ze me kalmeert, ‘je mag niet zomaar een dier meenemen uit een ver land. Daar zijn allerlei regels en wetten voor. Luister maar verder, hoe komt goed. Want daar is het een (waargebeurd!) kerstverhaal voor zoals we ieder jaar vertellen.’ Weer is het de stichting die helpt. Op het eiland is een Nederlands sprekend gastgezin, die de zorg voor Ouzo op zich wil nemen, terwijl ze al voor tientallen zorgen in hun eigen huis zorgen. Na nog een laatste knuffel laten ze hem achter met de belofte dat ze alle kosten op zich nemen en hem zullen adopteren zodra dat mogelijk is.
Furever home
Ouzo viert kerst bij zijn meowe furmilieOuzo viert kerst bij zijn meowe furmilie
Na drie maanden van intensieve zorg in het gastgezin is Ouzo sterk genoeg om op eigen poten te staan. Met een poespoort vol internationale stempels stapt de jongeman als handbagage van een bereidwillige toerist mee aan boord van een vliegtuig dat hem naar Amsterdam brengt. Daar staat het voltallige gezin op hem te wachten om hem mee te nemen naar zijn furever home. Opgelucht haal ik adem, tijd om wat te snacken. Als ik weg wil lopen, zegt mijn mens: ‘Het verhaal is nog niet helemaal klaar, Japie. Wil je de rest ook nog horen?’
Ik kruip terug op schoot als ze verder vertelt. In zijn nieuwe huis wonen niet alleen mensen, ook drie katten en een hond. Voordat ze elkaar gaan ontmoeten, moet Ouzo nog één keer naar een Nederlandse dierenarts voor een laatste check. De vreugde slaat om in teleurstelling als die vertelt dat er rare vlekjes in de nog dunne vacht van Ouzo zitten. Die zijn besmettelijk voor de rest van de furmilie. Hij moet in quarantaine. Weken zit hij opgesloten in een kamertje waar hij katzijdank wel bezoek mag ontvangen van zijn personeel mits ze zich in een wit pak hijsen. Hij moet vaak in bad en vieze pillen eten.
Ondanks alles blijft hij vrolijk en lief, weet Mo. Dat vind ik knap van Ouzo. Geen haar op mijn kop die er aan denkt om nat te worden (tenzij het een regenbui is). Ik zou al mijn stiletto’s op scherp zetten als ze dit soort fratsen met me uit willen halen. Die kleine Griek heeft een goed voorbeeld gemist. Hopelijk pakken zijn huisgenoten zijn verdere opleiding goed aan.
Vlak voor Kerst is het eindelijk zo ver. Ouzo krijgt een vrijbrief om los door het huis te mogen rennen om zijn furmilie te ontmoeten, die hem met open poten ontvangt.
‘Is het verhaal nu wel af?’ wil ik weten. Mo knikt instemmend. ‘Maar nu weet ik nog steeds niet wat dit met de walm te maken heeft die om je heen hangt. ’ Dan komt de aap uit de mouw. ‘Dat is omdat ik Ouzo heb mogen ontmoeten.‘ Zolang het maar bij een bezoekje blijft, mopper ik. Jij bent en blijft mijn enige echte Japie, belooft ze. En ze voegt er aan toe: Je kunt niet alle dieren van de wereld redden, maar voor sommige kun je wel een wereld van verschil maken. Zoals ik voor jou heb kunnen doen, Japie, en mijn vriendin voor dit Griekse katertje. Welkom thuis, lieve Ouzo.
Wij wensen al onze furriendjes een veilige jaarwisseling en een meow jaar vol lief en zacht en Saamehorigheid.