Categorie archieven: Japie

Japie: zijn er twee Japie’s?

Op de uitkijk

Wauw miauw, allerliefste furrienden, jullie dachten massaal mee na mijn furhaal waarin ik mijn zorgen uitte over Muisbezorgd. Katlega’s uit de wijde omtrek en ver daarbuiten staan in de startblokken om in de lente aan de slag te gaan.
Ze helpen niet alleen zelf mee, ze vragen ook hulptroepen. Buurtpoezels worden ingezet, zodra de tijd rijp is. Er is een cursuscentrum in oprichting waar katspiranten de fijne kneepjes van het vak in de poten kunnen krijgen. En Ollie – de master van de blogs himself – heeft kattastische tips gegeven. Ik slaap met een gerust hart, onder een heerlijk, warme deken vol poesitiviteit die jullie met zijn allen over me heen hebben gelegd. Het is niet zo dat ik nu op mijn lauweren kan gaan rusten. Ik leg uit waarom.

Mo doet raar

Alles lijkt weer normaal. De sneeuw is weg. Mo gaat naar het werk. Tijd om te dutten, net zoals mijn broer en tante. Ik droom mooie dromen over Muisbezorgd en over de uitwerking van alle plannen. Met het opleidingscentrum, met katvertenties, met hulp van al mijn toffe katlega’s en furrienden. En misschien wel met een eigen website. Daar ga ik zelf eerst een studie naar doen. Het is al bijna donker als ik mijn naam hoor. Het is mijn mens die roept dat ik uit de tuin van de buren moet komen. Ik snap niet dat wat ze daar doet. Weet ze dan niet dat ik prinsheerlijk bij de kachel lig te ronken?
De dag erna ben ik diep in slaap als Mo thuis komt. Ze is hoogst verbaasd om me te zien. ‘Jij was net toch buiten, Japie?! Ik zag je onder de struiken vandaan rennen en de hoek om vliegen. Je oren deden het niet toen ik je riep.‘ Slaapdronken laat ik haar weten dat er niks mis is met mijn oren en dat ze haar bril moet oppoetsen. Dan had ze gezien dat ik het niet was, want ik was al die tijd hier.

Zorgen om Mo

Een dag later lig ik in de vensterbank als Mo aan komt fietsen. Een purrrfecte plek om alles in de smiezen te houden. Ik zie hoe een vaag type onder de struiken vandaan komt en razendsnel richting een met dichte klimop begroeide muur sprint. Eén keer knipperen met m’n ogen en de ragebol is uit het zicht verdwenen. Als mijn mens maar niet gezien heeft waar die vreemde op vier poten de muur door ging. Dan komt mijn geheime ingang aan het licht. ‘Japie, Japie,’ roept mijn mens, ‘ga je mee naar huis?’ Mijn mens trekt wit weg als ik haar in de gang enthousiast begroet. Ze snapt er niks van. Eerlijk gemiauwd, ik ook niet. Moet ik me zorgen gaan maken om Mo?
Weer een dag later, hetzelfde ritueel. Ik moet weten wat hier aan de poot is. Als alle lampen uit zijn, kom ik in actie. Door de geheime ingang sluip ik de tuin in die ik op mijn pootje ken. Het is de tuin van Berdus, mijn toffe furriend met wie ik zoveel avonturen heb beleefd. Voor ik verder op onderzoek ga, klauter ik de muur op om naar hem te zwaaien, zoals ik ieder donker doe. Zijn fonkelende ster danst Saame met heel veel andere, die zo gemist worden op aarde. Hij wijst dat ik achter me moet kijken, naar het raam. Ik schrik me duizenden muizenstaarten in de rondte. Want daar achter het glas zit iemand die veel – wat miauw ik – heeeeeel veel op mij lijkt. Het is alsof ik mezelf zie zitten.

Een extra jaap

De dag erna sta ik oog in oog met mijn look-a-like. We zijn als twee druppels water. Met dat verschil dat mijn dubbelganger een piepklein wit vlekje op de borst heeft. Laat ik het netjes miauwen, onze kennismaking verloopt niet echt soepel. Als Mo terug komt van brokken verdienen, hoor ik haar niet roepen. Die boodschap heb ik mijn nieuwe buur wel duidelijk kunnen maken. Alleen flauw dat ik er een flinke hijs voor terug kreeg. Nu heb ik een gleuf op mijn kop. Zo eentje als in een spaarpot. Waar zal ik eens voor gaan sparen?

Koppie van Japie (met een jaap)

Japie : hoe moet het verder met Muisbezorgd?

‘Mo, we moeten nodig praten! Nu het meeste gedoe voorbij is, is het tijd om de draad weer op te pakken. Want mijn handel ligt plat. Als het zo doorgaat, is Muisbezorgd binnenkort failliet, foetsie, met één veeg van de kaart, verdwenen!’ Die woorden komen binnen bij mijn mens. Ik heb direct haar volle aandacht.
‘Wat is er precies aan de hand, Japie?’, vraagt ze en ik brand los. Met horten en stoten begin ik over griep, zwaailichten, knallen, sirenes en sneeuw. De woorden tuimelen over elkaar. ‘Kom eens bij me, ventje, eerst maar eens rustig ademhalen.’ Ze trekt me op schoot voor een aai- en kriebelbeurt en voegt direct de daad bij het woord. Zachtjes gaan haar vaardige vingers langs mijn wangen en onder m’n kin. Heen en weer, steeds weer, net zo lang tot mijn oogleden als vanzelf zwaarder worden.

Van loeiheet

‘Ik ben zo blij dat je weer beter bent,’ mompel ik gesmoord, ‘je bleef maar hoesten. Ik kon er gewoon niet van slapen. Eerlijk gemiauwd is slaapgebrek een drama voor mijn concentratie. Het had totaal geen zin om op jacht te gaan. Ik heb nachtenlang niets gevangen. Zoiets is funest voor Muisbezorgd!’ Mo aait rustig door, terwijl ik verder ga. Over dat ik het doodeng vond toen met dat feest waar KeverT al voor had gewaarschuwd. De knallen en flitsen kwamen van alle kanten en gingen door merg en poot. Het voelde alsof we omsingeld waren door oorverdovend vuurwerk. Toen er ook nog ontelbaar veel sirenes kwamen en zwaailichten die onophoudelijk doorgingen, wist ik het helemaal niet meer. ‘Dat was heel erg eng, Japie’, geeft Mo toe. ‘Ik vond het ook heel spannend dat er vlammen uit de auto’s kwamen in de parkeergarage aan de overkant.’ Ik kijk mijn mens aan. Vond zij het ook eng? Daar heb ik helemaal niets van gemerkt. Ze bleef zo kalm terwijl ze met haar hoofd tussen de dichte gordijnen door nauwlettend in de gaten hield wat er voor de deur gebeurde. ‘Denk je dat de muizen oververhit zijn geraakt door de brand?’ Daar moet ze over nadenken. ‘Dat weet ik niet zeker, Japie. Wel dat muizen superslim en razendsnel zijn. Ze konden vast allemaal op tijd weg komen.’ Ik hoop het zo, want ik heb er sindsdien niet één meer gezien.

Naar ijskoud

Die informatie moet ik eerst laten bezinken. Vlak voor ik in slaap dreig te vallen, bedenk ik me nog iets. ‘Mo, voor ik het vergeet, die heel dikke laag van dat ijskoude, witte spul, hè, dat blokkeerde de uitgangen van alle muizenholen die ik in de wijde omtrek weet te vinden. Dat kan toch niet goed zijn voor die beestjes, van kokend heet naar ijzig koud?! Hoe moeten de muizen zichzelf trouwens vetmesten als ze door de sneeuw niet op zoek kunnen naar eten?’ Nu ik alles zo opgesomd heb, zakt de moed me tot diep in m’n poten. Ik denk niet dat het ooit nog goed gaat komen met Muisbezorgd. Omdat mijn Beestboek al maanden stil ligt, kan ik geen nieuwe katlega’s werven. De bestellingen liggen op zijn gat, terwijl ik zo had gehoopt dat de feestdagen voor een opleving zouden zorgen. Tot overmaat van ramp komen daar die enorme temperatuurschommelingen bij. Mocht ik al een muis kunnen vangen, dan zit er waarschijnlijk kraak noch smaak aan.

Tips gevraagd
Mocht iemand purrrrfecte tips hebben om Muisbezorgd op de poot te houden ik hou me aanbevolen. Voorlopig ga ik slapen. Tot het lente wordt ofzo. Of als er een blik kipsnackjes wordt opengetrokken. Daar mag je me altijd voor wakker maken.

Koppie van Japie

Japie: een feelgood furhaal over een kleine Griekse god

Japie met tante Doortje

Allemiauws, wat een walm. Zodra ze de drempel overstapt, ruik ik het direct. Onmiskenbaar de geur van een rivaal. Eentje met walnoten of misschien zelfs sambaballen. Ik weet dat mijn mens andere katten ontmoet, iedere week weer. Dat heeft ze bedongen, toen ik mijn poot onder haar adoptiepapieren zette. Dat ze blijft zorgen voor dieren zonder thuis. Anders ging het feest niet door. Meestal doet ze dat heel subtiel. Bij thuiskomst heeft ze altijd een andere vacht aan dan waarmee ze eerder op de dag vertrekt. Maar deze keer stinkt haar verschoning alsnog een uur in de wind. Naar een andere kater dus! We moeten nodig miauwen, mijn mens en ik.
Niet veel later zit ze dromerig met een bakkie leut naar buiten te staren, een grote glimlach op haar gezicht. Ze lijkt mij niet te zien, terwijl ik pal aan haar voeten zit. Ze zal toch niet furliefd zijn? Daar moet ik heel gauw een poot voor steken. Ik spring naast haar op de bank waarna ze achteloos begint te aaien. Pas als ik op het punt sta mijn stilleto’s uit te slaan merkt ze me eindelijk op. Poeslief vraagt ze wat er aan de hand is. Dan doe ik mijn boekje open. Over haar vreemdgaan. ‘Het is niet wat je denkt, Japie’, antwoord ze. ‘Dit gaat over een Griekse God. Wil je zijn furhaal horen?’ Schoorpotend geef ik toe dat ik wel meowsgierig ben naar mijn concurrent. Mijn mens begint te vertellen.

Vakantie

Ouzootje net gevonden

Het is hartje zomer als mijn vriendin met haar gezin op vakantie gaat naar een Grieks eiland waar het verzengend heet is. Om koel te blijven vermaken ze zich met plonsen in het zwembad en ijsjes die ze halen in het dorp. Altijd nemen ze het paadje rechtsom hun verblijf. Op hun laatste vakantiedag besluiten ze in een opwelling linksom te lopen. Alsof dat zo moest zijn. Ze keuvelen over de smaak ijs als een van hen plots een geluid opmerkt. ‘Stil eens,’ vermaant ze iedereen, ‘ik hoor iets piepen.’ Eén keer horen ze het allemaal, een heel iel miauwtje en dan blijft het muisstil. Niet veel later vinden ze een kittentje, zo klein dat het makkelijk in hun hand past. Zijn mama is in geen velden of wegen te bekennen. Het kan niet meer op zijn pootjes staan, zo slap is zijn lijfje van honger en dorst. Zijn oogjes zitten dicht door aangekoekte viezigheid. In zijn smoezelige jasje krioelen honderden beestjes. Maar daaronder een zwoegend borstje dat zijn best doet om levenslucht binnen te halen. Ze aarzelen geen seconde. De een snelt naar de supermarkt voor eten, de ander smokkelt het ukje naar de hotelkamer, weer een ander gaat op zoek naar hulp. En zo komt reddingsactie Ouzo in allerijl op gang. Maar waar begin je in een land waar ze anders om gaan met dierenlevens dan je gewend bent?
De kleine van hooguit vijf weken oud is een knokkertje. Met zijn laatste krachten probeert hij iets van eten binnen te krijgen dat ze met het topje van hun pink aan zijn bekje smeren. Een pincet uit de toilettas blijkt perfect om korte metten te maken met het vlooiencircus. Het gezin zet alles op alles om een dierenarts te vinden die bereid is de ieniemienie Ouzo kans te geven. Met de onbetaalbare hulp van een lokale stichting die voor zwerfdieren zorgt, vinden ze er eentje op een halfuur rijden. Terwijl ze wachten op een taxi (want ja, er gaat daar niet zomaar een bus heen), pakken ze snel hun eigen spullen in. De tijd dringt, want hun vliegtuig vertrekt binnen afzienbare tijd. Ademloos luister ik hoe het verder gaat. Mijn hart hamert in mijn borst. Als dit maar goed komt.

Meedogenloos

De dierenarts is meedogenloos. Euthanasie is de enige optie, want wie moet er voor de kleine zorgen als zij terug gaan naar Nederland? ‘Neem hem mee,’ schreeuw ik, ‘neem hem mee!’ ‘Kon dat maar zo makkelijk, Japie,’ zegt mijn mens terwijl ze me kalmeert, ‘je mag niet zomaar een dier meenemen uit een ver land. Daar zijn allerlei regels en wetten voor. Luister maar verder, hoe komt goed. Want daar is het een (waargebeurd!) kerstverhaal voor zoals we ieder jaar vertellen.’ Weer is het de stichting die helpt. Op het eiland is een Nederlands sprekend gastgezin, die de zorg voor Ouzo op zich wil nemen, terwijl ze al voor tientallen zorgen in hun eigen huis zorgen. Na nog een laatste knuffel laten ze hem achter met de belofte dat ze alle kosten op zich nemen en hem zullen adopteren zodra dat mogelijk is.

Furever home

Ouzo viert kerst bij zijn meowe furmilie
Ouzo viert kerst bij zijn meowe furmilie

Na drie maanden van intensieve zorg in het gastgezin is Ouzo sterk genoeg om op eigen poten te staan. Met een poespoort vol internationale stempels stapt de jongeman als handbagage van een bereidwillige toerist mee aan boord van een vliegtuig dat hem naar Amsterdam brengt. Daar staat het voltallige gezin op hem te wachten om hem mee te nemen naar zijn furever home. Opgelucht haal ik adem, tijd om wat te snacken. Als ik weg wil lopen, zegt mijn mens: ‘Het verhaal is nog niet helemaal klaar, Japie. Wil je de rest ook nog horen?’
Ik kruip terug op schoot als ze verder vertelt. In zijn nieuwe huis wonen niet alleen mensen, ook drie katten en een hond. Voordat ze elkaar gaan ontmoeten, moet Ouzo nog één keer naar een Nederlandse dierenarts voor een laatste check. De vreugde slaat om in teleurstelling als die vertelt dat er rare vlekjes in de nog dunne vacht van Ouzo zitten. Die zijn besmettelijk voor de rest van de furmilie. Hij moet in quarantaine. Weken zit hij opgesloten in een kamertje waar hij katzijdank wel bezoek mag ontvangen van zijn personeel mits ze zich in een wit pak hijsen. Hij moet vaak in bad en vieze pillen eten.
Ondanks alles blijft hij vrolijk en lief, weet Mo. Dat vind ik knap van Ouzo. Geen haar op mijn kop die er aan denkt om nat te worden (tenzij het een regenbui is). Ik zou al mijn stiletto’s op scherp zetten als ze dit soort fratsen met me uit willen halen. Die kleine Griek heeft een goed voorbeeld gemist. Hopelijk pakken zijn huisgenoten zijn verdere opleiding goed aan.
Vlak voor Kerst is het eindelijk zo ver. Ouzo krijgt een vrijbrief om los door het huis te mogen rennen om zijn furmilie te ontmoeten, die hem met open poten ontvangt.
‘Is het verhaal nu wel af?’ wil ik weten. Mo knikt instemmend. ‘Maar nu weet ik nog steeds niet wat dit met de walm te maken heeft die om je heen hangt. ’ Dan komt de aap uit de mouw. ‘Dat is omdat ik Ouzo heb mogen ontmoeten.‘ Zolang het maar bij een bezoekje blijft, mopper ik. Jij bent en blijft mijn enige echte Japie, belooft ze. En ze voegt er aan toe: Je kunt niet alle dieren van de wereld redden, maar voor sommige kun je wel een wereld van verschil maken. Zoals ik voor jou heb kunnen doen, Japie, en mijn vriendin voor dit Griekse katertje. Welkom thuis, lieve Ouzo.

Wij wensen al onze furriendjes een veilige jaarwisseling en een meow jaar vol lief en zacht en Saamehorigheid.

Koppie van Japie

Japie: moet het feest doorgaan?

Tevreden stap ik door m’n luik de keuken in. Tijdens een tussentijdse inspectieronde heb ik een hoop nieuwe vindplaatsen ontdekt. Purcies wat ik nodig heb. Ik rook ze al van verre. Hoeveel er wonen dat ontdek ik vannacht. Met een beetje mazzel heb ik er dan genoeg. De tijd dringt.

Zodra het donker wordt, ga ik doelgericht op pad en sla toe. Eerst thuis de afwas doen, want ook die taak hoort erbij en doe ik met overgave. Mijn tante heeft iets heerlijks voor me laten liggen. Ze snapt maar al te goed dat alles van mij afhangt. Alleen met een goed gevulde buik kan ik mijn werk voor Muisbezorgd serieus doen.
Voor deze opdracht ben ik extra gemotiveerd. Gulzig begin ik aan de restanten van de vis die tante Cato niet meer blieft. Na het schoonlikken van de binnen- èn de buitenkant laat ik mijn tong over mijn snorharen glijden. Ik ben zo bezig met nagenieten dat ik amper door heb wat er in de woonkamer aan de poot is. Daar kom ik snel genoeg achter.

Ze wil niet

Mijn mens zit met verhitte wangen op de bank, de telefoon op haar schoot. Vanuit de speaker hoor ik vragen: “Maar waarom zou je het niet vieren? Het is toch een kroonjaar?! Heeft het met de doosjes *) te maken?” ‘Ik vier mijn verjaardag nooit en ook nu niet.’ Mo klinkt resoluut. ‘December is toch al niet mijn favoriete maand met al die feestdagen. Dit jaar staat mijn hoofd er helemaal niet naar. Om dan ook nog een verjaardag te vieren. Nee hoor, ik heb er geen zin in!’ Even blijft het stil. Tot de andere kant weer begint. Mijn mens reageert niet zo vaak geëmotioneerd. Niet als Foppe tegen de gordijnen pist. Niet als tante Cato vanaf de bovenste traptree aan ver spugen doet. Ook niet als ik de restanten van de jacht onvoldoende heb weggemoffeld. Ze zucht altijd alleen maar als ze weer met een emmer sop in de weer gaat.
Maar nu, tijdens dit telefoongesprek, hoor ik hoe haar stem langzaam een paar octaven hoger wordt en er frustratie in doorsijpelt. De beller snapt niet waarom mijn mens geen dagje vrij neemt. Aan alles merk ik dat degene aan de andere kant van de telefoon graag langs wil komen brengen. En dat is nou net waar Mo geen zin in heeft. Ze vindt het niet erg om een jaartje ouder te worden. Maar ze houdt er niet van om in de schijnwerpers te staan. En al helemaal niet om nog meer spullen te krijgen.
‘December is een maand van veel te veel overvloed,’ zegt ze, ‘daar hoeft niet nog meer bij. Ik ben die dag gewoon aan het werk. Als je echt iets wilt geven, maak dan iets over aan een goed doel. Dat levert veel meer blije snoetjes op.’

Groots uitpakken

Ik denk aan de eenenveertig muizen die al klaar liggen. Nog maar negentien te gaan. Het zou een knaller van een katdo moeten worden. Maar na het afluisteren van dit gesprek ga ik twijfelen aan ons plan.
Saame met Foppe en tante Cato had ik iets kattastisch bedacht. Zelfs CW vond het een purrrfect idee om groots uit te pakken. Stel je eens voor. Een reusachtige doos met een purrachtige strik er om heen. Als Mo op de ochtend van haar verjaardag uit bed komt, staat het gevaarte als blikvanger midden in de kamer. Daar kan ze niet omheen. Terwijl wij in koor hiep hiep hieper de PIEP miauwen trekt ons mens het lint los. Op dat moment springen er als furrassing zestig muizen uit. Voor ieder levensjaar eentje. Met een grote dikke vette bruine knoeperd extra uit de tuin van KeverT als wens voor het komend jaar. Ik zie het al helemaal voor me.
Maar nu weet ik het niet meer. Wat denken jullie?

Koppie van Japie

*) zie mijn letters op de Beestboek van een tijdje geleden

Japie: een schreeuw in het donker

Geen spoor van muizen
Same in de boomhut

Het is een gewone avond zoals altijd. Nou ja, bijna. Na weken van kraakheldere nachten zijn er donkere wolken voor de maan, die zelf ook nog eens meer dan de helft kleiner is dan een paar dagen geleden. Het maakt het lastiger om de sterren te zien. Maar ik weet dat ze er zijn.

Ze sprankelen altijd. Het is een kwestie van wachten. Tot het echt goed donker is en de wolken voorbij drijven. Ik zit klaar in mijn boom om naar iedereen te zwaaien. Naar alle furrienden die op aarde gemist worden. Vanuit mijn boomhut heb ik zicht op het slaapkamerraam. Daarachter zit tante Cato. Zij heeft liever alle pootjes op de vloer. Daarom zwaait ze vanachter het venster naar haar grote liefde, Oom Willem. Als die wolken nou maar eens opzij willen gaan.

Poesitieve recensie

Ik moet even ingedut zijn, want opeens schrik ik wakker van een ijselijke kreet. Een keiharde miauw die de nacht doorklieft en door merg en poot gaat. Het is tante Cato die zo hard schreeuwt dat het drie straten verderop te horen moet zijn: ‘Japie! JAAPIE!!!!’ Ik ben acuut klaarwakker. Zo snel als mijn poten kunnen, klauter ik omlaag langs de gladde stam, spring ik tussen de verdorde planten, maak een sliding over natte bladeren en dender door het luik op kattenooghoogte. Na een sprintje de trap op ben ik bij de dame in nood. Ik hoop maar dat Oom Willem ziet dat ik heel goed voor zijn furkering zorg. Buiten adem kom ik tot stilstand bij de vensterbank waar tante Cato met grote ogen naar het plafond staart. Ze verrekt bijna haar smalle nekje dat opeens centimeters langer lijkt dan anders.

Ik kijk dezelfde richting op, maar zie niks. Voor ik mijn bek open kan trekken, maant ze me tot stilte. ‘Ssstttt, luister eens.’ Ik spits mijn oren en draai met mijn harige schelpen alle richtingen op om af te stemmen op de juiste golflengte. Warempel, nu hoor ik het ook. Nauwelijks waarneembaar maar onmiskenbaar. Het getrippel van piepkleine pootjes. ‘Ik denk dat je kantoor is gekraakt’, fluistert ze. Verschrikt staar ik naar boven. Zou ik de deur van de koeling niet goed hebben dichtgedaan na de laatste bestellingen?
Sinds Lucky een kattastische recensie heeft gedaan over de supersnelle levering in Krullieland is de belangstelling voor de verse producten van Muisbezorgd enorm toegenomen. Ik moet ons mens wakker maken, om me te helpen met de zware vlieringtrap. Daar hoef ik weinig moeite voor te doen. Mo zit al kaarsrecht overeind in bed en tuurt met van diezelfde grote ogen als m’n tante naar het witte vlak boven haar.

Oproerkraaiers

Samen inspectie van de vliering

De veren van het luik piepen en kraken als Mo het houten ding naar beneden trekt. Voor de uitschuif trap de grond raakt, schuif ik haar opzij. Met vier rappe poten ben ik veel sneller. Zodra ik met een ferme klap mijn eerste nagels in de houten vloer klauw, hoor ik ze alle kanten op schieten. Wat een lafaards. Eerst uitdagend zingen en dansen, totdat de baas er aan komt. Dan is het opeens muisstil. Met een kop die op onweer staat, speur ik om me heen. Geen staartje te zien. Grommend ga ik alle hoeken en gaten van de opslag van Muisbezorgd af. Waar ik ook kijk op de vliering nergens een spoor van die oproerkraaiers. Ik ruik ze wel, maar zie ze echt nergens.

Met het licht aan helpt Mo mee zoeken. Dat ik een uit de poot gelopen hobby heb, vindt ze prima, zolang ze er maar geen last van heeft. Muizenhardloopwedstrijdjes boven haar hoofd houden haar uit haar slaap. Daarom is ze vastberaden om dit tot op de bodem uit te zoeken. Na een intensieve zoektocht zonder resultaat komen we tot de slotsom dat die piepbeesten op een onbereikbare plek zitten: tussen het plafond en de vloer. De vlieringsnuiter heeft zijn werk zo goed gedaan dat zelfs tante Cato daar met haar ranke lijf niet meer komen.
Zou ik nog garantie hebben op die klus?

Koppie van Japie