U ziet het meteen: er zit iets in mijn ooghoek. Iets dat uit mijn oog komt ofzo en dat daar even blijft hangen. Geeft niks, dacht ik.
Hoe dat verdwijnt, weet ik niet precies. Soms valt het eruit. Of het gaat weg als ik mezelf was en met mijn pootjes over mijn kop ga. Ik vind het niet zo belangrijk. Maar ik weet wel, dat sommige mensen er meteen iets aan willen doen. Het afvegen. Het schoonmaken. Een doekje, een wattenstaafje, een hand, een weet ik het. Ik hou daar niet van.
Kijk, als het echt erg is en het zit er te lang, dan heb je als kat wat hulp nodig. Zit het in twee ogen en ruikt het raar, dan is de kans groot dat je wat onder de leden hebt. Dus even naar de dokter, want je weet maar nooit.
In alle andere gevallen hoeft het niet. Als ik voor mezelf spreek, kan ik eerlijk zeggen dat ik schoon op mezelf ben. Netjes. Grote stukken van mijn vacht zijn wit en die hou ik mooi in mijn uppie. Dus als er wat in mijn ooghoek zit, en ik was het niet weg, dan valt het er wel uit. Niks mis mee. Vind ik.
Van een gewone dag kunt u zeggen dat is een gewone dag. Maar die dagen vind ik het fijnste. En op een gewone dag weet ik ook wat mijn fijnste moment is. Dat komt omdat mijn vrouw er altijd naar vraagt.
Ik kan slapen terwijl ik zit, terwijl ik lig en terwijl ik hang. Ik kan ook doen alsof ik slaap. En ik slaap graag, dat is ook waar. In mijn doos ligt flanel, ik heb een eigen kussen en meer slaapplaatsen. Soms denkt mijn vrouw dat ik veel te veel slaap. Kan dat?
Wanneer mensen me vragen of ik weleens stout of ondeugend ben, dan geef ik daar heel eerlijk antwoord op. Nee. Nooit. Ik weet niet eens wat dat is. Thuis mag ik bijna alles, geloof ik. Laatst heb ik zelfs naast de bak geplast. Of nou ja: naast. Dat ging anders.
Mijn vrouw kwam thuis met iets nieuws in haar tas. Het was voor mij. Een visje. Ze deed er heel blij over, dus ik hoopte meteen dat het ook voor mij leuk zou zijn. Toen ging ze ermee aan de slag.