Hallo katermannen en kattenpoezen,
Ik ga jullie vertellen over mijn avontuur met een krekel. Die kwam echt waar zomaar op mijn pad.
Het was op een zwoele zomeravond in mijn jungle in Doetinchem. De tuin van tante Fleur leek echt op een jungle: varens zo groot als parapluâs, klimop die als lianen over de schutting hingen. En overal het zachte geritsel van nachtelijke dieren. Ik, als avontuurlijke rode kater, sprong behendig op de schutting om mijn avondronde te beginnen.
Terwijl ik mijn evenwicht hield op de smalle rand, hoorde ik een vreemd geluid: tsjirrrr â tsjirrrr â tsjirrr. Het kwam van een klein, glanzend groen wezentje dat op een takje zat, net boven de klimop. Ik spitste mijn oren.
Kri-kri
Wie ben jij? Vroeg ik nieuwsgierig.
Ik ben Kri â Kri zei de krekel trots. De nachtzanger van deze tuin.
Ik ging zitten en zwiepte met mijn staart langzaam heen en weer. Zanger? Wat zing jij dan vroeg ik.
Kri â kri lachte en zei: Ik zing over de geheimen van de nacht. Over de maan die danst op de vijver, over de slakkenrace in het gras en over de vuurvliegjes die hun lichtjes aan elkaar laten knipperen als groet.
Dat vond ik allemaal maar raar. Hoe kan een krekel nou zingen.
Het klinkt gewoon heel mooi, maar alleen voor wie durft te luisteren zei de krekel.
Jungle
En dus bleef ik op de schutting zitten, terwijl de jungle om mij heen tot leven kwam. Ik hoorde het zachte geritsel van de bladeren, het getik van de egel die langs de heg liep, en het ritmische gezang van Kri â Kri, dat klonk als een geheim dat alleen de nacht kende.
Vanaf die avond, elke keer als ik op de schutting sprong, keek ik eerst of Kri â Kri er was. En als hij er was, luisterde ik. Want de jungle â tuin van Tante Fleur was elke nacht een nieuw verhaal, en Kri â Kri was de zanger ervan.
Al mijn vriendjes en vriendinnetjes wens ik weer knuffels, lekker eten, snacks en veel zon.
đŸ Poot van Doerak
Hallo allemaal,
Het was stil in mijn huis aan de rand van Doetinchem. In de tuin rook ik de lucht van lavendel, dat deed me altijd aan Tante Fleur denken. Nu zij er niet meer was is er iets veranderd. Niet alleen in mijn huis maar ook bij mijzelf. Als senior katerman had ik een taak gekregen. Een taak die ik goed ga uitvoeren.
Tante Fleur had mij, net voor zij haar laatste dutje deed, iets toevertrouwd. Met een zachte stem had zij gevraagd: Zorg goed voor Bliksem, Doerak. Hij is nog jong maar hij heeft een groot hart. Leer hem wat jij weet.
En zo begon mijn eerste jaar waarbij ik mentor van Bliksem werd.
Bliksem
Bliksem was een jonge, nieuwsgierige kater, met een vacht zo zwart als de nacht en ogen die glinsterden als de sterren. Bliksem was snel, onstuimig en soms een beetje roekeloos. Net als ik was als kitten. Maar Bliksem lette goed op mij. Alsof ik de baas was. Elke avond als we samen in de jungle zaten begon zijn les. Ik leerde hem hoe je stilletjes over schuttingen liep, hoe je de geur van de regen kon ruiken, en hoe je de wind kon gebruiken om te weten waar gevaar schuilde. Ik liet hem de geheime plekjes zien, waar de egels woonde en waar de muizen feestjes hielden. En hoe je heel hoog kon zitten en alle tuinen kon overzien.
Maar het belangrijkste wat ik hem leerde was geduld. Niet alles hoeft snel. Soms is wachten beter. Maar in het begin snapte Bliksem dat niet helemaal.
Bliksem deed best wel luisteren. Hij maakte soms fouten, natuurlijk. Hij viel eens in de vijver toen hij een kikker achterna zat. En hij schrok soms van zijn eigen schaduw. Maar elke keer stond hij op, keek naar mij en leerde.
En ik? Ik voelde trots. Niet alleen omdat Bliksem groeide, maar omdat ik voelde dat tante Fleur nog steeds bij mij was. Ik voelde dat als de blaadjes ritselde en als de sterren fonkelden.
Aan het eind van het eerste jaar, op een heldere lenteavond, Zat Bliksem alleen op het dak van het huis. Ik keek met half gesloten ogen naar Bliksem. Bliksem riep: Ik snap het nu Doerak. Ik keek hem aan en dacht: dan is mijn taak volbracht.
En al was mijn taak volbracht, mijn hartje zit vol liefde voor Bliksem, en volgens mij wordt Bliksem later ook een mentor. Maar dat is een verhaal voor later.
Sinds die bijzondere zomeravond in Doetinchem, waarin Tante Fleur, zonder dat Doerak dat wist, haar laatste wandeling maakte door de tuin vol lavendel en oude rozenstruiken, voelde Doerak wel dat er iets aan het veranderen was. Tante Fleur was niet meer zo snel, haar ogen keken verder dan de heg, alsof ze iets zag wat anderen niet konden zien.
Op een zachte avond, toen de maan hoog stond en de sterren fonkelden als diamanten, sprong Doerak op de tuinstoel naast haar. Tante Fleur zuchtte diep, keek naar de hemel en fluisterde:
“Lieve Doerak, mijn tijd hier is bijna voorbij. Maar ik zal altijd bij je zijn, als een ster aan de hemel. Wanneer je me mist, kijk omhoog. En wanneer je hulp nodig hebt⊠dan zal ik je een teken geven.”
Die nacht verdween Tante Fleur stilletjes, vredig, alsof ze oploste in het maanlicht. En toen Doerak de volgende avond naar boven keek, zag hij een nieuwe ster, helderder dan alle anderen. Hij wist: dat is haar.
Hoofdstuk 2: De komst van Bliksem
Dagen gingen voorbij. Doerak voelde zich alleen, maar bleef trouw aan Tante Fleurâ s woorden. Op een stormachtige avond, waarin de bliksem de lucht spleet en de regen tegen de ramen sloeg, hoorde hij een zacht gemiauw vanuit de woonkamer.
Daar zat hij: een klein, zwart-wit katermannetje met ogen vol vuur en nieuwsgierigheid. Hij begon Doerak gelijk te besnuffelen en te onderzoeken. Doerak voelde een rilling over zijn rug. Boven hem flonkerde Tante Fleurâ s ster extra fel.
“Is dit jouw teken?” fluisterde hij.
Het katertje heette Bliksem â snel, eigenwijs, en vol energie. Alles wat Doerak ooit was als kitten. En nu begreep hij zijn taak: hij moest Bliksem opvoeden, net zoals Tante Fleur hem had opgevoed. Met geduld, liefde, en een beetje kattenwijsheid.
De zon hing laag boven Doetinchem, haar stralen glansden zacht over de daken en tuinen. In het huis aan de rand van de stad lag tante Fleur in haar favoriete stoel bij het raam. Haar ademhaling was rustig, haar ogen gesloten. Ze sliep steeds vaker de middagen weg, haar lichaam moe van de jaren die haar langzaam inhaalden.
Doerak, haar trouwe katerman, zat op de vensterbank. Zijn groene ogen keken naar buiten, maar zijn oren waren gespitst naar binnen. Hij luisterde naar het zachte geritsel van Fleurâs ademhaling, alsof hij elk moment wilde vangen waarin ze wakker zou worden en hem zou toespreken met haar warme stem: âDag lieve jongen, ben je weer op avontuur geweest?â
Veranderen
Maar die woorden kwamen steeds minder vaak.
Doerak begon zijn tochten alleen. Eerst aarzelend, dan met meer zekerheid. Hij sloop door de tuinen, sprong over schuttingen, begroette oude vrienden â de ekster op het dak, de egel onder de struiken, en zelfs Roover de kat van de buren. Maar telkens keerde hij sneller terug. Want hoe ver hij ook ging, zijn hart bleef bij tante Fleur.
Langzaam, bijna ongemerkt, begon Doerak te veranderen. Hij werd voorzichtiger, bedachtzamer. Hij lette op de geluiden van het huis, op de geur van de lucht, op de stilte die steeds vaker viel. Hij begon de stap naar volwassenheid te zetten â niet omdat hij het wilde, maar omdat het moest. En ergens, diep vanbinnen, voelde hij dat het tijd was. Dat heeft met oer te maken.
Nadenken
Op een dag, toen de lucht grijs was en de wind zacht door de bomen ruiste, sprong Doerak op Fleurâs schoot. Ze opende haar ogen langzaam, keek hem aan en glimlachte. âJe bent een goede jongen,â fluisterde ze. âJe zorgt voor me, hĂš?â
En toen, met een blik die helder was als vroeger, zei ze zacht: âIk zie het, Doerak. Je wordt groot. En het is goed zo.â
Doerak miauwde zacht, drukte zijn kop tegen haar poot. En in dat moment, tussen stilte en ademhaling, wist hij dat zijn liefde haar bereikte â zelfs als ze sliep.
Doerak voelde dat het echt anders ging worden. Daarvoor kent hij Tante Fleur te goed. Hoe ga ik hier mee om? Wat gaat er gebeuren? Ik ga maar eens buiten op mijn denk schutting zitten. Â Er moet nagedacht worden.
De volgende keer vertel ik hoe het afliep en natuurlijk hoe het verder gaat.
Zonnige knuffels aan al mijn vriendjes en vriendinnetjes.
Het was een stille, zwoele zomeravond. De zon was net onder gegaan en de lucht kleurde paars en goud. Ik zat op mijn favoriete plekje in de tuin, mijn snorharen bewogen zachtjes in de avondbries. Tante Fleur kwam naast me zitten, haar ogen glinsterden. âHet is tijd,â zei ze. âDe nacht roept.â
We slopen samen de tuin in. Alles rook anders in het donker. De geur van de bloemen was sterker, de aarde voelde koel onder mijn poten. We hoorden het zachte getik van een kever, het geritsel van een muisje, en ergens in de verte⊠een vreemd geluid. Een soort zacht gezoem.
âWat is dat?â fluisterde ik. Tante Fleur spitste haar oren. âDat komt van achter de poort,â zei ze. âWe moeten voorzichtig zijn.â
We gingen op onderzoek uit. Ik volgde mijn neus, Tante Fleur volgde haar instinct. En toen⊠zagen we hem. Een grote nachtvlinder, met vleugels zo breed als mijn kop. Hij fladderde rond een oude lantaarnpaal die nog net een beetje licht gaf. âDie moeten we vangen,â zei Tante Fleur. âMaar voorzichtig, hij is snel.â
We sprongen, doken, draaiden, en renden. De vlinder was slim, maar wij waren slimmer. Uiteindelijk landde hij op een tak, en ik sloop ernaartoe. Net toen ik wilde springen⊠hoorde ik een zacht miauw.
Bliksem!
Hij was ons gevolgd, stiekem. âIk wilde mee,â zei hij. âJullie hebben altijd de spannendste avonturen.â Tante Fleur zuchtte, maar ik moest lachen. âKom dan maar,â zei ik. âMaar stil zijn, hĂš?â
Met zân drieĂ«n gingen we verder. We vonden geen muis, geen vlinder meer, maar wel een geheime plek achter de struiken waar de egels slapen. We bleven daar even zitten, luisterden naar de nacht, en keken naar de sterren.
âDe nacht is van ons,â zei Tante Fleur. En ik wist: dit was weer zoân avontuur dat ik nooit zou vergeten.
đŸ Poot van Doerak