Categorie archieven: Doerak en Bliksem

đŸŸ Doerak en de krekel op de schutting

Hallo katermannen en kattenpoezen,
Ik ga jullie vertellen over mijn avontuur met een krekel. Die kwam echt waar zomaar op mijn pad.
Het was op een zwoele zomeravond in mijn jungle in Doetinchem. De tuin van tante Fleur leek echt op een jungle: varens zo groot als paraplu’s, klimop die als lianen over de schutting hingen. En overal het zachte geritsel van nachtelijke dieren. Ik, als avontuurlijke rode kater, sprong behendig op de schutting om mijn avondronde te beginnen.
Terwijl ik mijn evenwicht hield op de smalle rand, hoorde ik een vreemd geluid: tsjirrrr – tsjirrrr – tsjirrr. Het kwam van een klein, glanzend groen wezentje dat op een takje zat, net boven de klimop. Ik spitste mijn oren.

Kri-kri

Wie ben jij? Vroeg ik nieuwsgierig.
Ik ben Kri – Kri zei de krekel trots. De nachtzanger van deze tuin.
Ik ging zitten en zwiepte met mijn staart langzaam heen en weer. Zanger? Wat zing jij dan vroeg ik.

Kri – kri lachte en zei: Ik zing over de geheimen van de nacht. Over de maan die danst op de vijver, over de slakkenrace in het gras en over de vuurvliegjes die hun lichtjes aan elkaar laten knipperen als groet.
Dat vond ik allemaal maar raar. Hoe kan een krekel nou zingen.
Het klinkt gewoon heel mooi, maar alleen voor wie durft te luisteren zei de krekel.

Jungle

 

En dus bleef ik op de schutting zitten, terwijl de jungle om mij heen tot leven kwam. Ik hoorde het zachte geritsel van de bladeren, het getik van de egel die langs de heg liep, en het ritmische gezang van Kri – Kri, dat klonk als een geheim dat alleen de nacht kende.
Vanaf die avond, elke keer als ik op de schutting sprong, keek ik eerst of Kri – Kri er was. En als hij er was, luisterde ik. Want de jungle – tuin van Tante Fleur was elke nacht een nieuw verhaal, en Kri – Kri was de zanger ervan.
Al mijn vriendjes en vriendinnetjes wens ik weer knuffels, lekker eten, snacks en veel zon.
đŸŸ Poot van Doerak

đŸŸ Doerak en het eerste jaar met Bliksem

Hallo allemaal,
Het was stil in mijn huis aan de rand van Doetinchem. In de tuin rook ik de lucht van lavendel, dat deed me altijd aan Tante Fleur denken. Nu zij er niet meer was is er iets veranderd. Niet alleen in mijn huis maar ook bij mijzelf. Als senior katerman had ik een taak gekregen. Een taak die ik goed ga uitvoeren.

Tante Fleur had mij, net voor zij haar laatste dutje deed, iets toevertrouwd. Met een zachte stem had zij gevraagd: Zorg goed voor Bliksem, Doerak. Hij is nog jong maar hij heeft een groot hart. Leer hem wat jij weet.
En zo begon mijn eerste jaar waarbij ik mentor van Bliksem werd.

Bliksem

Bliksem was een jonge, nieuwsgierige kater, met een vacht zo zwart als de nacht en ogen die glinsterden als de sterren. Bliksem was snel, onstuimig en soms een beetje roekeloos. Net als ik was als kitten. Maar Bliksem lette goed op mij. Alsof ik de baas was.
Elke avond als we samen in de jungle zaten begon zijn les. Ik leerde hem hoe je stilletjes over schuttingen liep, hoe je de geur van de regen kon ruiken, en hoe je de wind kon gebruiken om te weten waar gevaar schuilde. Ik liet hem de geheime plekjes zien, waar de egels woonde en waar de muizen feestjes hielden. En hoe je heel hoog kon zitten en alle tuinen kon overzien.
Maar het belangrijkste wat ik hem leerde was geduld. Niet alles hoeft snel. Soms is wachten beter. Maar in het begin snapte Bliksem dat niet helemaal.
Bliksem deed best wel luisteren. Hij maakte soms fouten, natuurlijk. Hij viel eens in de vijver toen hij een kikker achterna zat. En hij schrok soms van zijn eigen schaduw. Maar elke keer stond hij op, keek naar mij en leerde.
En ik? Ik voelde trots. Niet alleen omdat Bliksem groeide, maar omdat ik voelde dat tante Fleur nog steeds bij mij was. Ik voelde dat als de blaadjes ritselde en als de sterren fonkelden.

 

Aan het eind van het eerste jaar, op een heldere lenteavond, Zat Bliksem alleen op het dak van het huis. Ik keek met half gesloten ogen naar Bliksem. Bliksem riep: Ik snap het nu Doerak. Ik keek hem aan en dacht: dan is mijn taak volbracht.
En al was mijn taak volbracht, mijn hartje zit vol liefde voor Bliksem, en volgens mij wordt Bliksem later ook een mentor. Maar dat is een verhaal voor later.

Regen

Er was ook nog een emo moment met Bliksem. Het was een dag dat de regen tegen het raam tikte. Ik zat met Bliksem onder een grote struik te schuilen. Bliksem was stil. Ik zag dat zijn ogen naar een ster keken. Hij voelde dat dit tante Fleur was, en ik zag dat hij haar miste. Dus ik schoof tegen hem aan, duwde mijn kop tegen hem aan en miauwde: Ik ook, elke dag. Maar weet dat zij trots op ons zou zijn.
Ik keek ook naar de ster en dacht: Zij gaf mij een taak, en jij Bliksem jij hebt geleerd vanuit je hart. Daar ben ik super trots op.
En ineens hield de regen op, en was het heel stil. Alles in onze jungle rook ineens naar Tante Fleur.
Ik en Bliksem zullen haar nooit vergeten, en zolang we haar verhalen vertellen leeft ze voort in ons.
En toen begonnen we alle twee zomaar te spinnen in het beginnende donker van de nacht. Samen spinnen dat klonk als een lied voor tante Fleur, terwijl één ster extra begon te flikkeren.
Al mijn vriendjes en vriendinnetjes wens ik weer knuffels, lekker eten, snacks en veel zon.
đŸŸ Poot van Doerak

Tante Fleur, Doerak en Bliksem

Hoofdstuk 1: Tante Fleur en de Sterrenhemel

Sinds die bijzondere zomeravond in Doetinchem, waarin Tante Fleur, zonder dat Doerak dat wist, haar laatste wandeling maakte door de tuin vol lavendel en oude rozenstruiken, voelde Doerak wel dat er iets aan het veranderen was. Tante Fleur was niet meer zo snel, haar ogen keken verder dan de heg, alsof ze iets zag wat anderen niet konden zien.
Op een zachte avond, toen de maan hoog stond en de sterren fonkelden als diamanten, sprong Doerak op de tuinstoel naast haar. Tante Fleur zuchtte diep, keek naar de hemel en fluisterde:
“Lieve Doerak, mijn tijd hier is bijna voorbij. Maar ik zal altijd bij je zijn, als een ster aan de hemel. Wanneer je me mist, kijk omhoog. En wanneer je hulp nodig hebt
 dan zal ik je een teken geven.”
Die nacht verdween Tante Fleur stilletjes, vredig, alsof ze oploste in het maanlicht. En toen Doerak de volgende avond naar boven keek, zag hij een nieuwe ster, helderder dan alle anderen. Hij wist: dat is haar.

Hoofdstuk 2: De komst van Bliksem

Dagen gingen voorbij. Doerak voelde zich alleen, maar bleef trouw aan Tante Fleur’ s woorden. Op een stormachtige avond, waarin de bliksem de lucht spleet en de regen tegen de ramen sloeg, hoorde hij een zacht gemiauw vanuit de woonkamer.
Daar zat hij: een klein, zwart-wit katermannetje met ogen vol vuur en nieuwsgierigheid. Hij begon Doerak gelijk te besnuffelen en te onderzoeken. Doerak voelde een rilling over zijn rug. Boven hem flonkerde Tante Fleur’ s ster extra fel.
“Is dit jouw teken?” fluisterde hij.
Het katertje heette Bliksem — snel, eigenwijs, en vol energie. Alles wat Doerak ooit was als kitten. En nu begreep hij zijn taak: hij moest Bliksem opvoeden, net zoals Tante Fleur hem had opgevoed. Met geduld, liefde, en een beetje kattenwijsheid.

Hoofdstuk 3: Een nieuw begin

Doerak leerde Bliksem hoe je stil door de nacht sluipt, hoe je kan klimmen in de jungle, hoe je oer wordt, waar de beste vis te vinden is in Doetinchem, en hoe je mensen kunt laten lachen met één blik. Soms keek hij omhoog, naar de ster van Tante Fleur, en glimlachte.
“Kijk eens, Tante Fleur. Hij leert snel.”
En zo begon een nieuw hoofdstuk. Tante Fleur bleef waken als een ster aan de hemel, Doerak werd een wijze mentor, en Bliksem
 werd een legende in wording.
En zo beginnen mijn avonturen met Bliksem. Omdat er veel emo was in die periode ben ik nu wel geholpen om de letters op papier te krijgen. In mijn vervolgverhaal kan ik mijn vriendjes en vriendinnetjes nieuwe avonturen gaan vertellen.
Allemaal weer veel zon, brokjes, snacks en verse vis gewenst.
Veel knuffels en pootjes van mij en Bliksem.

Tante Fleur en de Stilte van de Middag 

De zon hing laag boven Doetinchem, haar stralen glansden zacht over de daken en tuinen. In het huis aan de rand van de stad lag tante Fleur in haar favoriete stoel bij het raam. Haar ademhaling was rustig, haar ogen gesloten. Ze sliep steeds vaker de middagen weg, haar lichaam moe van de jaren die haar langzaam inhaalden.
Doerak, haar trouwe katerman, zat op de vensterbank. Zijn groene ogen keken naar buiten, maar zijn oren waren gespitst naar binnen. Hij luisterde naar het zachte geritsel van Fleur’s ademhaling, alsof hij elk moment wilde vangen waarin ze wakker zou worden en hem zou toespreken met haar warme stem: “Dag lieve jongen, ben je weer op avontuur geweest?”

Veranderen

Maar die woorden kwamen steeds minder vaak.
Doerak begon zijn tochten alleen. Eerst aarzelend, dan met meer zekerheid. Hij sloop door de tuinen, sprong over schuttingen, begroette oude vrienden – de ekster op het dak, de egel onder de struiken, en zelfs Roover de kat van de buren. Maar telkens keerde hij sneller terug. Want hoe ver hij ook ging, zijn hart bleef bij tante Fleur.
Langzaam, bijna ongemerkt, begon Doerak te veranderen. Hij werd voorzichtiger, bedachtzamer. Hij lette op de geluiden van het huis, op de geur van de lucht, op de stilte die steeds vaker viel. Hij begon de stap naar volwassenheid te zetten – niet omdat hij het wilde, maar omdat het moest. En ergens, diep vanbinnen, voelde hij dat het tijd was. Dat heeft met oer te maken.

Nadenken

Op een dag, toen de lucht grijs was en de wind zacht door de bomen ruiste, sprong Doerak op Fleur’s schoot. Ze opende haar ogen langzaam, keek hem aan en glimlachte. “Je bent een goede jongen,” fluisterde ze. “Je zorgt voor me, hù?”
En toen, met een blik die helder was als vroeger, zei ze zacht: “Ik zie het, Doerak. Je wordt groot. En het is goed zo.”

Doerak miauwde zacht, drukte zijn kop tegen haar poot. En in dat moment, tussen stilte en ademhaling, wist hij dat zijn liefde haar bereikte – zelfs als ze sliep.

Doerak voelde dat het echt anders ging worden. Daarvoor kent hij Tante Fleur te goed. Hoe ga ik hier mee om? Wat gaat er gebeuren? Ik ga maar eens buiten op mijn denk schutting zitten.  Er moet nagedacht worden.

De volgende keer vertel ik hoe het afliep en natuurlijk hoe het verder gaat.

Zonnige knuffels aan al mijn vriendjes en vriendinnetjes.

Poot van Doerak.

Doerak over de nacht en over de jacht

Met Tante Fleur op de stoel

đŸŸ Doerak op jacht met Tante Fleur – ook in het donker!
Hallo allemaal,
Vandaag vertel ik jullie over een van mijn favoriete avonturen met Tante Fleur. Het was een dag zoals geen ander: de zon scheen, de vogels floten, en de jungle achter ons huis ruiste van geheimen. Ik zat op mijn tuinstoel, mijn snorharen trilden van spanning. Tante Fleur kwam naast me zitten en fluisterde: “Doerak, ik heb iets gehoord in de struiken
”
Nou, dan weet je het wel. Als Tante Fleur iets hoort, dan is er Ă©cht iets aan de hand. Samen sluipen we naar de rand van de tuin. Ik voelde de aarde onder mijn poten, rook de geur van de bladeren, en hoorde het zachte geritsel van iets kleins. Tante Fleur was al ouder, maar haar oren werkten nog als een radar. “Links!” fluisterde ze. En ik ging.
We waren een perfect team. Ik ging laag over de grond, mijn staart strak achter me. Tante Fleur hield de wacht. We zagen een muisje – klein, bruin, en razendsnel. Maar wij waren sneller. Nou ja
 bijna dan. Het muisje glipte onder de schutting door, maar dat maakte ons niet uit. Het ging om de jacht, om het samen zijn, om het avontuur.
Maar het spannendste kwam pas later
 toen het donker werd.
Als de zon ondergaat, verandert de jungle. Alles klinkt anders, ruikt sterker, en voelt geheimzinniger. Tante Fleur en ik hielden van jagen in het donker. Dan waren we echt op ons best. Ik kon dan nĂłg beter ruiken en voelen. Mijn snorharen vingen elk zuchtje wind op, en mijn poten wisten precies waar ze moesten stappen.
We gingen samen op pad, heel stil. Soms hoorden we een egeltje scharrelen, soms een kikker plonzen in de vijver. En soms
 ja soms
 zagen we een muisje dat dacht dat niemand hem zag. Maar wij zagen hem wel. Of nou ja, Tante Fleur zag hem eerst, en ik rook hem. En dan begon de jacht. En zo leerde ik jagen van Tante Fleur
Na zo’n nachtelijke missie lagen we samen in de tuin, onder de sterren. Tante Fleur gaf me een lik over mijn kop en zei: “Je bent een echte junglebaas, Doerak.” En ik voelde me trots. En met Tante Fleur aan mijn zijde ben ik nooit alleen.
Dat was ons avontuur. En zo werd ik een stoere jonge katerman. Ik werd ouder en groter maar ook Tante Fleur werd ouder. Mijn grote voorbeeld die mij zoveel heeft geleerd. Er gingen dingen veranderen. Bij mij maar ook bij Tante Fleur dat voelde ik.
Daar ga ik de volgende keer over vertellen. Dan komen er weer letters op papier.
Al mijn vriendjes en vriendinnetjes wens ik knuffels, lekker eten, snacks en veel zon.
đŸŸ Poot van Doerak

🌙 Doerak en het geheim van de nacht

Tante Fleur

Het was een stille, zwoele zomeravond. De zon was net onder gegaan en de lucht kleurde paars en goud. Ik zat op mijn favoriete plekje in de tuin, mijn snorharen bewogen zachtjes in de avondbries. Tante Fleur kwam naast me zitten, haar ogen glinsterden. “Het is tijd,” zei ze. “De nacht roept.”
We slopen samen de tuin in. Alles rook anders in het donker. De geur van de bloemen was sterker, de aarde voelde koel onder mijn poten. We hoorden het zachte getik van een kever, het geritsel van een muisje, en ergens in de verte
 een vreemd geluid. Een soort zacht gezoem.
“Wat is dat?” fluisterde ik. Tante Fleur spitste haar oren. “Dat komt van achter de poort,” zei ze. “We moeten voorzichtig zijn.”
We gingen op onderzoek uit. Ik volgde mijn neus, Tante Fleur volgde haar instinct. En toen
 zagen we hem. Een grote nachtvlinder, met vleugels zo breed als mijn kop. Hij fladderde rond een oude lantaarnpaal die nog net een beetje licht gaf. “Die moeten we vangen,” zei Tante Fleur. “Maar voorzichtig, hij is snel.”
We sprongen, doken, draaiden, en renden. De vlinder was slim, maar wij waren slimmer. Uiteindelijk landde hij op een tak, en ik sloop ernaartoe. Net toen ik wilde springen
 hoorde ik een zacht miauw.
Bliksem!
Hij was ons gevolgd, stiekem. “Ik wilde mee,” zei hij. “Jullie hebben altijd de spannendste avonturen.” Tante Fleur zuchtte, maar ik moest lachen. “Kom dan maar,” zei ik. “Maar stil zijn, hù?”
Met z’n drieĂ«n gingen we verder. We vonden geen muis, geen vlinder meer, maar wel een geheime plek achter de struiken waar de egels slapen. We bleven daar even zitten, luisterden naar de nacht, en keken naar de sterren.
“De nacht is van ons,” zei Tante Fleur. En ik wist: dit was weer zo’n avontuur dat ik nooit zou vergeten.
đŸŸ Poot van Doerak