‘Japie, ga je mee naar boven?’ De stem van mijn mens komt van ver. Ze vraagt het nog eens. Deze keer fluisterend in mijn oor. Loom strek ik mijn poten uit, knipper met mijn ogen, geeuw uitgebreid en kijk in het rond. Om me heen zijn de muren van de slaapkamer, onder me een slordig opgevouwen dekbed dat goddelijk ligt, juist omdat het niet zo netjes strak getrokken is. Ik snap niet wat ze bedoelt. De enige manier om in dit vertrek te komen is de trap op. Hoe kan ik mee naar boven gaan als ik daar al ben?
Machtig
Gemorrel aan het plafond in de gang maakt me met één klap klaarwakker. Het geheime luik komt knarsend en piepend naar beneden. Dat is dus boven! Het verboden terrein waar de vlieringsnuiter oorverdovende dingen deed waar wij niet bij mochten zijn. Die snuiter heb ik trouwens al tijden niet gezien. Zou het werk af zijn? Mo klopt uitnodigend met haar
hand op de houten treden. ‘Ga je nog mee?’ Dat laat ik me geen twee keer miauwen. Zo’n kans krijg ik misschien nooit meer.
Ik heb de eer om voorop te gaan. Onwennig zet ik mijn voorpoot op de eerste tree. Het voelt anders dan de trap met de vale vloerbedekking naar de eerste verdieping, maar verder werkt het precies hetzelfde. Daar draai ik mijn poot niet voor om en sjees naar boven. Mijn mens komt sjokkend achter me aan. Tegen de tijd dat ze kromgebogen onder het lage dak staat, heb ik er al drie rondjes op zitten. Wat een machtige ruimte.
Droom
Boven aan de houten trap is een kleine overzichtelijke ruimte. Een planken vloer met aan de kant van mijn linkerpoot een groot apparaat aan de muur dat er voor zorgt dat we in de winter warme poten houden. Bij het rechtsaf slaan kom ik in een veel groter deel uit waar daglicht naar binnen stroomt door een raampje dat zelfs open kan. Eerlijk gemiauwd kan ik er mijn kont niet keren, zo’n bende is het er. Die snuiter heeft duidelijk nog werk te doen.
Stapels latten, bergen gereedschap, vuilniszakken met restjes en een grote rol met heel dikke watten. Ik slalom er om heen, stap over wiebelende planken en tijger onder de laagste delen van het dak door.
Als ik de troep weg denk, zie ik een walhalla aan mogelijkheden. Aan de ene kant kunnen vriezers, een paar op een rij. Zo houden we de smaken gescheiden. Zilte Zeemuizen, Hartige Hunnebedmuizen, Sappige Sallandse Heuvelrugmuizen, Wonderlijke Weilandmuizen, noem maar op. Aan de andere kant opslag van isoboxen in allerlei maten. In het midden een lange inpaktafel. Ik zie het helemaal voor me. De koelwagens kunnen beladen worden via het dakraam. Ik heb de De Rossige nog nooit een muis zien vangen, maar dat hij zonder vrees op daken kan lopen dat heeft hij wel bewezen. Hij zou het purrrrfect doen om de leiding over de bevrachting vanuit het klapraampje op zich te nemen.
Uiteenspatten
Mo is met een duimstok van alles aan het opmeten. Dat komt goed uit. Kan ze gelijk de maten opschrijven van de koelingen. Die passen precies in de nis naast de schoorsteen. Vlak bij de trap kan een balie komen om pursoonlijk een bestelling af te halen. ‘Kijk Japie,’ begint ze, ‘ik had gedacht om hier een krabpaal tot aan het plafond te maken. Daar een kruipsluipgang om verstoppertje te spelen.’
Ho, ho, wacht eens even, waar heeft mijn mens het nu allemaal over?! Het wordt hier geen speeltuin. Nou ja, misschien een kittenhoekje. Dat is leuk voor de kleintjes die met hun ouders meekomen die een muizenafhaalmenu besteld hebben. In mijn kop noteer ik speelgoedmuizen om als katdootje mee te geven voor die ukkies. Jong geleerd is oud gedaan. Verder geen fratsen, anders is de vergunning niet op tijd rond voor het Grote Weilandfeest begint. De katlega’s van Muisbezorgd moeten ruim de gelegenheid hebben om proef te draaien. ‘Gaat het wel goed met je, Japie?’ vraagt Mo bezorgd als ze schrik in mijn ogen ziet. Ze heeft totaal niet in de gaten dat mijn droom zojuist uiteengespat is.
Snel dender ik het steile trappetje af voor ze nog meer stomme voorstellen doet. Want over de bestemming van de vliering is het laatste nog niet gemiauwd.
Koppie van Japie
De laatste tijd komen er mannen over de vloer waar ik m’n bedenkingen bij heb. Ik miauwde er al over op Beestboek. Op Valentijnsdag kreeg mijn mens chocolaatjes van een vage afzender. Dat zette me aan het denken. Ik vroeg me af of iemand haar zomaar van ons kan afpakken. Mo fluisterde in mijn oor dat niemand aan mij kan tippen. Dat stelde me gerust. Maar niet voor lang.
Dan is er de vlieringsnuiter. Dat is een type, die je wat beter moet leren kennen. Nu ik hem vaker zie, kom ik er achter dat hij best aardig is. Hij zegt Zussie tegen mijn mens. Best gek, want iedereen noemt haar Mo. Je moet weten dat de vlieringsnuiter een lading spullen bij zich heeft waar je u tegen miauwt. Op de overloop doet hij een geheim luik in het plafond open en zwaait vanuit het niets een ladder naar beneden. Zijn armen zijn zo sterk dat hij met gemak over een smal trappetje enorme machines naar boven sjouwt alsof het veertjes zijn. Een beetje heel erg jammer is dat die apparaten zoveel kabaal maken dat KeverT het in Amsterdam kan horen. Ik snap niet waarom er zoveel herrie nodig is om de binnenkant van het dak vol te stouwen met heel dikke watten. Ik vergeef het hem maar nu ik weet dat hij aan het eind van de klusdag appeltaart eet. Met slagroom! Laat hij die slagroom nou met alle liefde met mij willen delen. Dat is echt tof van hem. Hij mag vaker komen.
Poes Spokkie is zelf een vlieringsnuiter. Ze helpt haar baas daar met computeren.
‘Mag ik even naar je oor kijken, Japie? Er zit een dingetje op.’ Mijn mens vraagt het op haar allerliefst. Ze voelt – net als ik – dat ons vertrouwen in elkaar bijzonder broos is na een kattefietje eerder vandaag. Ik schrok van haar. Zij schrok van mij. Wat we daarna deden, daar zijn we allebei verre van trots op. Ik haalde uit. Zij begon te schreeuwen. De schaamte en spijt zijn veel groter dan honderdduizend reusachtige bergen met bruine knoeperds bij elkaar. Maar gedane zaken nemen geen keer. We doen er Saame alles aan om het weer goed te maken. Zoiets kost tijd.
op om dekking te zoeken. Zo kennen we ons mens helemaal niet!
snapt ze opeens waarom ik vanochtend venijnig naar haar uithaalde. Mijn oor is gevoelig. Bij nadere inspectie ziet ze er iets op zitten wat er normaal niet zit. Ze pakt haar telefoon om een foto van dichtbij te maken van een piepklein wit dingetje.
Weken heb ik er naar uit gekeken en deze keer wordt mijn lange wachten beloond. Het is een kwestie van wie het meeste geduld heeft. Zelfs met alle happen uit mijn jas hou ik het met mijn dikke bontkraag uren vol in de kou. Als ik wat in elkaar duik en me opvouw tot een kleine wolbaal blijf ik lekker warm. Een beetje dutten mag, zolang de oren maar gespitst blijven en de blik gericht op het gat in de grond. Bij het minste geluid ben ik gelijk paraat. Verder zorg ik ervoor dat de wind m’n snorharen naar achteren strijkt en dat ik als een standbeeld blijf zitten. Het meest lastige is het juiste moment te vinden van toeslaan. Niet te vroeg èn zeker niet te laat. Dat is een kwestie van ervaring. Hoe ouder ik word des te beter ik dit fingerspitzengefühl in de poten krijg. Deze kattiek heeft me al genoeg lekkers opgeleverd. Zo ook nu.
Zonder verdere discussie open ik mijn kaken en zet ze in een soepele beweging over hem heen. Het muisje is zo klein dat hij precies in mijn bek past. Het voelt warm en zacht. Over mijn tong voel ik ragfijne nageltjes kriebelen. Alleen het staartje bungelt tussen mijn lippen. Ik onderdruk de neiging om hem hier ter plekke te verorberen. Dat doe ik liever zonder kapers op de kust. Thuis liggen ze met een beetje mazzel in katzwijm.
Pas als iedereen in dromenland is, kom ik terug. Door een zware grom diep vanuit mijn keel schrikt Mo wakker. Op het moment dat ze de lamp naast het bed aanknipt, bijt ik mijn kaken stevig op elkaar.
Mijn letters voor deze keer zijn heel simpel. Het is een vraag. Een vraag die wellicht vragen oproept. Wees gerust, ik zal ze allemaal in dit furhaal beantwoorden. De vraag is: Wie wil er een stukje van mij hebben?
Er zat niets anders op dan het afknippen van mijn ooit zo lange lokken die inmiddels als vervilte ballen tegen mijn huid aan zaten geplakt. Met minuscule knipjes moest een ieniemienie schaartje het werk doen. Haartje voor haartje werd voorzichtig los geknipt, beetje bij beetje, tot uiteindelijk de hele klit los kwam. Ik moet erbij miauwen dat hier dagen per klit over heen gingen, omdat ik bij ieder knipje in de handen van de kapper beet. Handen die ik ook al in de klem had met mijn stiletto’s.
Suikerspin