Het had de nodige poten in de aarde, maar na een fikse workout zitten we dan eindelijk alle drie in een rammelbakkie. Als door een wonder heb ik net geen wortel geschoten.
Onderweg
Onderweg naar het gevreesde adres vraag ik honderduit. Of witjas ook van die lelijke dingen heeft gezegd tegen Foppe? Of tegen m’n tante Cato? Het zal toch niet dat hij zich tegenover haar heeft laten ontvallen dat ze een mislukte Britse Korthaar is? Haar bontjas is werkelijk waar beeldschoon. Als adonis in opleiding bij Oopa Floris zie ik heus wel dat de katers voor haar in de rij staan.
Geen van twee snapt waar ik het over heb. Al hebben ze een diepgrondige hekel aan dit soort uitjes witjas zelf is alleraardigst, beweren ze. En een zij bovendien. Ik ontspan me een beetje. Misschien valt het allemaal wel mee. Ik besluit om niet direct in de aanval te gaan. Dat kan altijd nog.
Aanpak
Aandachtig kijk ik toe hoe tante Cato de APK ondergaat. Als een statige dame zit ze keurig rechtop als witjas in haar oren kijkt, haar tanden inspecteert en met een dopje tussen haar vacht wroet. Na een ‘ziet er allemaal keurig uit’ en een prik krijgt ze een mooie stempel in
haar poespoort. Zo doet ze dat dus. Netjes blijven zitten, dan is het snel achter de rug.
Mijn grote broer Foppe heeft een andere aanpak. Stokstijf blijft hij in het bakkie zitten. De reisbox moet worden opengeschroefd. Onder hem is het zeiknat door gutsende zweetpoten. Hij mag in het bakkie blijven zitten, terwijl witjas achter zijn oortjes kriebelt en lieve woordjes kirt. Ondertussen bevoelt ze stiekem zijn strakgespannen lijf. Hij zakt voor het examen en krijgt alleen nieuwe pillen. Ik wil wel zo’n leuk plaatje in mijn poespoort en besluit het te doen zoals tante Cato.
Mijn aanpak
‘Dag knapperd’, begint ze. Dat is nog eens een binnenkomer. ‘Jij bent dus Japie. Ik heb zoveel over je gehoord. Leuk om je eindelijk eens in het echt te zien.’ Het ijs is gelijk gebroken. Ik duw mijn warrige haardos tegen haar hand als teken van vriendelijke groet terug. Zachtjes dwalen haar vingers door mijn vacht die er weelderiger uitziet dan werkelijk is. Mijn scherpe hoektanden zijn sneller dan het licht als ze een grote klit aanraakt. Dat zal haar leren. Het stempeltje in mijn poespoort is opeens minder belangrijk. De rest van het onderzoek onderga ik met argwaan. Ik hoor heus wel dat ze concludeert dat ik te dik èn te lui ben. Mo neemt het voor me en zegt dat ik niet lang kan rennen omdat mijn longen kapot zijn (geweest). Met een koud ding luistert witjas aandachtig. Ze klinken inderdaad schraal. Daarna gaat ze met een ander apparaat over mijn bast en mompelt dat er iets geks met mijn chip is. Witjas neemt zowel voor Foppe als voor mij contact op met
een specialist over hoe nu verder. Daar horen we later meer over. Na een prik, een compliment dat ik echt een mooie kerel ben en dapper bovendien krijg ik toch die felbegeerde stempel en mag terug in het bakkie. Onderweg naar huis maak ik in mijn kop een lijst voor de volgende keer.
Tips & tricks
Tip 1. Trap niet in liefkozingen van witjas. Op het moment dat je aandacht verslapt, nemen ze beslissingen over je. Terwijl ik genoot van kriebels gaf mijn mens toestemming om met een eng zoemding vervilte stukken uit mijn jas te scheren. Weet je hoe koud zo’n blote buik is midden in de winter? Eerlijk gemiauwd lucht het ook wel op om verlost te zijn van die strakke jas.
Tip 2. Laat niet aan je blote buik voelen. Voor je het weet betasten ze je pretvet en hebben daar een oordeel over.
Tip 3. Ga niet op een weegapparaat staan. Die cijfers zeggen rare dingen. Mensen geloven die cijfers nog ook.
Tip 4. Zorg ervoor dat je wel door de APK komt. Anders moet je terug, zoals Foppe.
Tip 5. Daar had ik eigenlijk mee moeten beginnen. Zorg ervoor dat je mens je nooit in zo’n bakkie stopt. Trap niet in snackjes. Deze moet ik heel goed onthouden!
Tip 6. Bij thuiskomst heel klaaglijk en zielig doen. Dan krijg je geheid lekkers.
Doe er je voordeel mee. Een gewaarschuwde kat telt voor twee.
Koppie van Japie
Daar zit ik dan. In dat hermetisch afgesloten bakkie waar ik wel in kan draaien, maar verder geen kant op kan. Door de tralies heen ziet de wereld er blokkerig uit. Het bakkie staat op de mat bij de voordeur. Vanaf hier heb ik zicht op de keuken en de trap. ‘We gaan zo weg’, zei Mo naar wat het lijkt een eeuwigheid geleden. De smaak van de extra kipsnackjes die ik als beloning kreeg, is allang verdwenen.
te dagen. We hebben een familie-uitje. Mijn broer en tante gaan mee voor mijn Algemene Poezen Keuring. Het wordt tijd dat ze opschieten, want ik heb het wel een beetje gehad in dit bakkie.
Het is verdacht stil als ik door het kattenluik dender. Mijn wacht in de boom zit er op. De kinderen zijn naar school. De buren naar het werk. Tijd voor een tweede ontbijt.
verder: ‘Kom op, man, het is hartstikke lekker weer. Dan ga je toch niet hier in die smoorhitte liggen.’ Eindelijk draait Foppe zijn kop om. ‘Je moet je verstoppen, Japie, zo snel mogelijk! Heb je de rammelbak niet zien staan?’ ‘Bedoel je dat ding met het tralietje? Ja, die heb ik al even uitgeprobeerd. Leuk bakkie, toch?!’ Als Foppe begint te raaskallen over witjas trek ik aan mijn stutten. Misschien moet ik dat bakkie wat beter bekijken.
‘Ga je mee, Japie?’ Het is een vraag en tegelijkertijd voel ik aan mijn snorharen dat elk antwoord overbodig is. Ik kan wel nee miauwen, maar ik heb zomaar het gevoel dat mijn nee nul komma nul effect heeft. Mo heeft moeite om het bakkie met het hermetisch afgesloten traliewerk op te tillen. Binnenin schommel ik alle kanten op. Ik moet me schrap zetten om niet om te vallen. ‘Waar gaan we heen?’ wil ik weten. ‘Het is tijd voor je eerste APK. Dus we gaan even langs de dierenarts.’ Ik denk terug aan die ene keer. Jullie weten wel, toen die witjas me de allerlelijkste meen koen noemde die hij ooit had gezien. Hoogste tijd voor revanche.
Lieve furriends van de blog, er moet me iets van mijn hart. In dit huishouden is namelijk iets aan de poot dat ik heel graag met jullie wil bespreken. Ik schijn niet te mogen klagen, omdat ik bij de juiste deur heb aangeklopt om asiel aan te vragen. Toch voel ik me ondanks alles achtergesteld.
tante Cato en van mezelf zijn identiek. Kleine ronde bakjes, lichtgroen van kleur. Ze zien er alle drie exact hetzelfde uit. Behalve als het aankomt op de inhoud. Tweemaal daags maakt ons mens een zakje vlees in saus open. Zodra het hoekje scheurt, komt de verleidelijke geur me al tegemoet. In mijn bek voel ik hoe het water zich verzamelt en dan langzaam langs mijn kin drupt. Mijn buik rommelt als een malle. Het voelt als een groot gapend gat. Ik weet zeker dat ik wel een driehonderdduizend van die zakjes op kan. Maar wat krijg ik? Een theelepeltje. Eén schamel theelepeltje.
Ook deze keer zit ik uitgehongerd bij het aanrecht te wachten tot de bakjes worden verdeeld. Ik verheug me al op de afwas. Soms laat Vriendje (de zwerfkat) ook nog wat staan. Hij heeft superlekker vlees uit een blik. Heel wat anders dan het saaie dieetvoer uit het zakje. Toch eet ik het snel met smaak op. Dan ren ik door naar de plek waar tante Cato eet. Hoe kan dat nu? Met haar tong gaat ze langs alle randjes en laat een smetteloos bakje achter. Foppe heeft een hongerige dag en schrokt alles zonder moeite naar binnen. Er zit maar een ding op. Vriendje wegjagen bij zijn bak. Ik ben te laat. Ook daar vind ik de hond in de pot.
Laat ik gelijk maar met het kattenluik het nieuwe jaar invallen. Slecht meows kan je beter direct meowen. De pleister er in één keer aftrekken. Vorige keer liet ik al iets doorschemeren.
Nadat ik uit het egelhuis was geplukt, ging er een heel protocol van start. Dat is een moeilijk woord voor een stappenplan met allerlei regeltjes. Ik werd aangemeld bij een asiel, die me aanmeldde bij allerlei instanties. Ook bij een witjas. Het toeval wil dat mijn mens als pleegopvang voor dat asiel werkt en dat ik daarom bij haar thuis mocht blijven. Anders had ik in het hotel voor dieren zonder thuis gemoeten. Witjas, je weet wel, die me de allerlelijkste meen koen noemde die hij ooit had gezien, bekeek me van alle kanten en luisterde met een koud ding op mijn toch al zo koude lijf. Een reuteltje in mijn longen. Dat wist ik zelf al lang, omdat ik vaak kuchte. Ik moest vieze pillen slikken, dagenlang. Het hoestje ging over, dus het had wel effect. Eind goed al goed zou je denken. Niets was minder waar.
Zelf ben ik er het levende bewijs van dat het goed is gekomen. Ik ben een halfjaar als zeehond door het leven gegaan en toen waren alle geniepige beestjes *) eindelijk vertrokken. Wat een wonder, hè?! Omdat ik nog in de groei ben, worden mijn longen langzaamaan een beetje beter. Al zit rennen er nog steeds niet in. Wel ben ik supergoed in boomklimmen. Laat ik dat nou ook nog hartstikke leuk vinden. De afgelopen weken klom ik iedere ochtend naar boven en bleef urenlang zitten om te kijken of het nieuwe jaar al in zicht was. Eindelijk is het zover. Een kersvers jaar ligt voor ons met een heleboel blanco bladzijdes. Laten we daar met zijn allen heel veel kleurrijke pootafdrukken op maken. Ik kijk er naar uit samen heel veel purrrrfecte en poesitieve herinneringen te maken. Doen jullie mee? Happy moewyear.