Het gaat niet goed met mijn mens. Ik denk dat de hitte naar haar hoofd is gestegen. Ze doet dingen die ze normaal nooit doet (althans, ik heb het haar nog niet eerder zien doen). En ze kraamt onzin uit. Ze heeft het maar over ene Pita. Pita zou een vriendin zijn die hier komt wonen. Mijn furkering kan het niet zijn, want die heet Pummy. Voor de zekerheid check ik bij Foppe of hij een andere scharrel heeft. Daar is hij heel stellig in. Hij is nog altijd tot ver over zijn snorharen furliefd op Luna Poes. Magnum wast zijn lange oren in onschuld. Had ik maar weer een meisje, verzucht hij.
Ruimte maken
Met veel woorden, die niet voor herhaling vatbaar zijn, haalt mijn mens een hoge ladder uit de overvolle schuur. Een interessant ding, ik kan niet anders miauwen. Vanuit de schaduw onder de dichte struiken kijk ik toe hoe Mo puffend plantenbakken vol uitgedroogde bloemen de trap op zeult en op het schuurdak neer zet. ‘We hebben ruimte nodig, Japie, anders kan Pita hier niet wonen’, legt ze uit. Weer die geheimzinnige Pita.
Daar waar ik eerst kon slalommen tussen de grote kuipen vol planten wordt het steeds leger. Alleen de heg staat nog breeduit in de weg. Niet voor lang, want zelfs die moet er aan geloven. Weer klimt ze de ladder op. Deze keer om met een enorme schaar de lange takken te lijf gaan. Onvoorstelbaar hoeveel groter de tuin wordt.
Slecht meows
Geluiden op de telefoon trekken haar aandacht. Dankbaar voor een pauze tijdens het zware werk in de hitte leest ze de berichten die binnenkomen. Waar haar hoofd eerst nog knalrood was, trekt het opeens wit weg. Naast water dat van haar voorhoofd gutst, komt er nu ook vocht uit haar ogen. Ze zakt neer in de zee van ruimte die ze voor de onbekende Pita aan het maken is. Ik voel aan mijn snorharen dat er iets niet klopt en kruip op haar schoot. Terwijl ze aait en aait voel ik hoe haar tranen in mijn vacht druppelen. Ik helemaal niet van dat gefrunnik aan mijn lijf en het liefst zou ik wegspringen, maar ik merk dat er iets belangrijks is gebeurd. Net als ik het niet meer uithou, fluistert ze bijna onhoorbaar: ‘Oopa Floris is een stralende ster geworden, jochie. Je grote voorbeeld is er niet meer.’ Vergeten is Pita, vergeten het werk. Stilletjes kruip ik weg tot het bijna donker is.
Hemel
In de tuin staat de trap er verlaten bij. Dit is mijn kans. Voorzichtig zet ik een poot op de onderste tree. Dat gaat verrassend makkelijk. In mum van tijd roetsj ik omhoog, veel sneller dan wanneer ik in mijn boom klauter. Onder me gaapt een enorme diepte, boven me strekt zich de sterrenhemel uit. Daar zijn onze furriends die we op aarde moeten missen. Ik speur naar de meeste stralende ster. Die ene daar, daar moet hem zijn. ‘Dag lieve Oopa Floris,’ miauw ik naar de hemel, ‘ik ben het, Japie! Zullen we nog één keer?’ Ik ga op mijn achterpoten staan en strek me zover mogelijk uit. Dichter bij de sterren kan ik niet komen. ‘Hier komtie, Oopa, kopstoot naar links, kopstoot naar rechts.’
Koppie van Japie
Het feest in de stad is allang voorbij. Mijn wonden zijn gelikt. Ik heb zoveel bemoedigende reacties gehad op mijn laatste furhaal dat ik nieuwe moed heb om mijn allerliefste meisie mee uit te vragen. Eerst heb ik schoon schip gemaakt met haar broertjes. Ik noemde ze bazig. Het was niet aardig van mij om dit over ze te zeggen. Daarom allereerst een rectifiCATie. De broers van Pummy zijn gewoon bezorgd en beschermend om hun gestreepte huisgenoot. Dat begint ook met een b, maar betekent heel wat anders dan bazig. Het is fijn dat we dit kattefietje hebben uitgemiauwd. Ook ik ben zuinig op mijn furkering en zou echt niet willen dat er iets naars gebeurt. Daarom wordt ons meowe afspraakje totaal anders.
Chaperonne
we elkaar aan. Foppe, in zijn perfecte zittende smoking, gaat ons galant voor naar de boom waarin gekleurde lampjes voor extra sfeer zorgen. Hij wijst haar de weg naar de top voor het beste uitzicht. Ik volg op gepaste afstand. Tante Cato knikt dat het goed is als ik een beetje dichter tegen haar aan schuif tot onze vachtjes elkaar raken. Dat is het moment dat mijn toffe furriend KeverT zijn speciaal voor vanavond gecomponeerde muziek begint.
Het is feest in de stad. Met muziek en kermis en vuurwerk en kraampjes met veel lekkere hapjes. Ik heb zin om daar samen met mijn Pummy heen te gaan. Als ze weg kan komen van haar bazige broertjes kunnen we afspreken bij de eeuwenoude perenboom. Onder die boom hebben al heel wat furliefde stelletjes elkaar hun eerste zoen gegeven. Hoe romantisch zou het zijn als we allebei in die boom klimmen om samen naar de lichtjes te kijken. Ik droom ervan om steeds dichter tegen haar aan te kruipen, mijn pluimstaart om haar heen te slaan en lieve woordjes in haar poezelige oortjes te fluisteren. Dan moet ze toch wel in katzwijm vallen?! De vele lessen van Oopa Floris hebben me geleerd dat mijn haartjes netjes gekamd moeten zijn, mijn snorharen schoongewassen in de krul en mijn vacht om door een ringetje te halen. Om niets aan het toeval over te laten heb ik mijn tanden geflost met de hooisprieten van Magnum. Ik heb zelfs mijn sjieke stropdas naar de stomerij gebracht.
Mijn broer vraagt waarom ik zo opgedoft ben. Snel kijk ik om me heen of niemand ons kan horen. Zachtjes meow ik dat ik mijn furkering mee wil nemen naar het feest in de stad. Foppe weet hoe het is om met zijn meisie op stap te zijn. Hij en tante Luna hebben heel wat gestolen uurtjes in de hooiberg gelegen. Hij stopt me wat extra zakgeld toe en zegt met een samenzwerende knipoog dat hij morgen alles in geuren en kleuren wil horen. Hij belooft de nachtdienst op zich te nemen als ik nu snel de avondronde doe. Dat laat ik me geen twee keer meowen.
harder rondjes ren om te ontkomen aan de pijnlijke steken op mijn rug. Ik bijt en krabbel. Tevergeefs. De lafaard blijft prikken. Mo knipt het licht aan en staat op het punt te vragen of ik mijn dolle kwartiertje heb. Ook zij ziet direct de ernst. Haar zacht sussende stem vertelt me dat ik stil moet blijven, zodat ze kan kijken. Voorzichtig vouwt ze mijn haren opzij waar een furieus beest in een geel zwarte pyjama uit tevoorschijn komt. Hij vliegt een paar rondjes om daarna neer te vallen. Uitgeput laat ik me tegen Mo aan zakken, die keer op keer mijn koppie aait, net zo lang tot ik rustig ben. Van mijn droom is niets meer over. Het is een regelrechte nachtmerrie geworden. Misschien is mus spotten meer iets voor ons.
Feest
boom inspecteren. Het rijkelijk gevallen hemelwater heeft hun geursporen grotendeels uitgewist. Dat geeft goeie moed. Ik zet mijn klauwen in de stam en krabbel of mijn leven ervan af hangt. Eerlijk gemiauwd doet het dat ook. Want de boom is mijn leven. Het is niet voor niks mìjn boom. Poot voor poot klauter ik omhoog. Mijn vlijmscherpe stiletto’s zorgen ervoor dat ik stevig op de stam kan blijven. Hoe hoger ik kom, hoe droger het wordt. Als ik boven ben, breekt de zon door. Mijn dag kan niet meer stuk. De krakers hebben het nakijken. Wat voor het weer het ook is, ik ben er weer!
Meow furriendjes, daar ben ik weer. Een weekje later dan ik eerder miauwde. Dat kwam door het spannende vakantiefurhaal van mevrouw Loesje en mijn katlega Dorus. Ik heb mijn tante Cato gevraagd of wij ook op vakantie gaan. Dat is goed voor mijn opvoeding, voegde ik er aan toe, om met de woorden van de mamsie van Dorus te miauwen. Tante Cato was heel duidelijk, je klimt maar wat hoger in je boom. Daar kun je ook je horizon verbreden. In mijn boom zit nou net het probleem. Ik zal jullie miauwen hoe dat komt.
Verstijfd
Gekraakt