Categorie archieven: Japie

Japie: de meeste dromen zijn bedrog

dromenHet is feest in de stad. Met muziek en kermis en vuurwerk en kraampjes met veel lekkere hapjes. Ik heb zin om daar samen met mijn Pummy heen te gaan. Als ze weg kan komen van haar bazige broertjes kunnen we afspreken bij de eeuwenoude perenboom. Onder die boom hebben al heel wat furliefde stelletjes elkaar hun eerste zoen gegeven. Hoe romantisch zou het zijn als we allebei in die boom klimmen om samen naar de lichtjes te kijken. Ik droom ervan om steeds dichter tegen haar aan te kruipen, mijn pluimstaart om haar heen te slaan en lieve woordjes in haar poezelige oortjes te fluisteren. Dan moet ze toch wel in katzwijm vallen?! De vele lessen van Oopa Floris hebben me geleerd dat mijn haartjes netjes gekamd moeten zijn, mijn snorharen schoongewassen in de krul en mijn vacht om door een ringetje te halen. Om niets aan het toeval over te laten heb ik mijn tanden geflost met de hooisprieten van Magnum. Ik heb zelfs mijn sjieke stropdas naar de stomerij gebracht.

Buurtcontrole

dromenMijn broer vraagt waarom ik zo opgedoft ben. Snel kijk ik om me heen of niemand ons kan horen. Zachtjes meow ik dat ik mijn furkering mee wil nemen naar het feest in de stad. Foppe weet hoe het is om met zijn meisie op stap te zijn. Hij en tante Luna hebben heel wat gestolen uurtjes in de hooiberg gelegen. Hij stopt me wat extra zakgeld toe en zegt met een samenzwerende knipoog dat hij morgen alles in geuren en kleuren wil horen. Hij belooft de nachtdienst op zich te nemen als ik nu snel de avondronde doe. Dat laat ik me geen twee keer meowen.
De vlinders fladderen in mijn buik als ik stoer door onze straten stap. Mijn tred is zelfverzekerder dan anders. Ik speur de steegjes af naar verdekt opgesteld zittend gespuis. Het lijkt alsof iedereen naar het feest is, want geen enkele kat kruist mijn pad. Alleen nog even de prikkelbosjes voor de deur checken en dan kan ik mijn prachtige Pummy verrassen. Om mijn purfect zittende vacht niet vies te maken, tuur ik enkel in de donkere hoeken. Er is zelfs geen geritsel te horen.

Laffe daad

Net als ik me om wil draaien om verslag uit te brengen aan Foppe voel ik iets onder mijn vacht. Verschrikt kijk ik om. Links, rechts, achter me, niets te zien. Vreemd. Voor ik verder loop, voel ik het weer. Een trillende, scherpe scheut gaat door me heen. Dit heb ik nog nooit meegemaakt. Geïrriteerd draai ik me om de boosdoener toe te spreken. Geen glimp van degene die me van achteren heeft aangevallen. Het zoemende gevoel wordt steeds heviger, net als de scherpe prikken. Wie is die onzichtbare vijand? Waar ik me een paar minuten geleden nog zo zelfverzekerd voelde, nu neemt angst bezit van me.

Nachtmerrie

Ik ren de tuin in en dender door het kattenluik het donkere huis binnen. Foppe veert op uit zijn mand en vraagt zich af waarom ik zo snel terug ben. ‘Je hebt toch geen blauwtje gelopen, hè?!’ zegt hij plagend. Bij het zien van mijn paniek, weet hij dat het menens is. Hij dirigeert me de trap op naar ons mens, die al diep in slaap is. Ik duik op bed waar ik steeds dromenharder rondjes ren om te ontkomen aan de pijnlijke steken op mijn rug. Ik bijt en krabbel. Tevergeefs. De lafaard blijft prikken. Mo knipt het licht aan en staat op het punt te vragen of ik mijn dolle kwartiertje heb. Ook zij ziet direct de ernst. Haar zacht sussende stem vertelt me dat ik stil moet blijven, zodat ze kan kijken. Voorzichtig vouwt ze mijn haren opzij waar een furieus beest in een geel zwarte pyjama uit tevoorschijn komt. Hij vliegt een paar rondjes om daarna neer te vallen. Uitgeput laat ik me tegen Mo aan zakken, die keer op keer mijn koppie aait, net zo lang tot ik rustig ben. Van mijn droom is niets meer over. Het is een regelrechte nachtmerrie geworden. Misschien is mus spotten meer iets voor ons.

Koppie van Japie

Japie heeft Biester weer

Biester weer

Biester weer meowt mijn tante Luna het. Snertweer zegt mijn mens. Die kleine keffer van de hoek noemt het hondenweer. Iets klopt niet aan die benaming, want zijn mens moet hem door de stromende regen meesleuren om ergens zijn poot op te tillen. Niet dat het veel uitmaakt hij kan het net zo goed gelijk laten lopen. Zijn bolle buik hangt toch al in de nattigheid. Dat is een nadeel van korte pootjes. Ik hou het op takkenweer. Want…(tromgeroffel… niemand wil met dit zomerse herfstweer mijn boom in. Hoera!

Feest

Striemende regen tegen de ramen. Takken die woest heen en weer zwiepen. Voor de meesten onder ons reden om dieper weg te kruipen onder de dekens. Of zich op te vouwen in een mand. Ik niet. Regen is mijn favoriete weer. Niets is fijner dan stampen in de plassen. En rollebollen over de natte stoeptegels. Wacht even, nog fijner is het om daarna thuis te komen. Netjes als ik ben, schud ik eerst mijn modderige vacht uit in keuken tegen de ooit zo witte deurtjes. Daarna ren ik met zompige poten de trap op naar boven, spring met een plof op het grote bed en doe dan met druipende snorharen neusie neusie met mijn slapende mens. Voor ze doorheeft wat er gebeurt, lig ik al onder het dekbed met mijn natte jas dicht tegen haar aan. Miauw nou zelf, dat is toch feest!?

Doei krakers

Terwijl iedereen moppert op het onstuimige weer voel ik me in mijn poesitieve nopjes. Een vluchtige blik door het kattenluik leert me dat er niemand in de tuin is. Met mijn kop duw ik het luik omhoog. Even nog ben ik beschut tegen de stortbui. Dan stap ik vol goeie moed naar buiten, de stromende regen in. Eerst check ik of CW of De Rossige zich niet stiekem in de schuur verschanst hebben. Geen spoor van die twee. Nu kan ik op mijn gemak mijn boom inspecteren. Het rijkelijk gevallen hemelwater heeft hun geursporen grotendeels uitgewist. Dat geeft goeie moed. Ik zet mijn klauwen in de stam en krabbel of mijn leven ervan af hangt. Eerlijk gemiauwd doet het dat ook. Want de boom is mijn leven. Het is niet voor niks mìjn boom. Poot voor poot klauter ik omhoog. Mijn vlijmscherpe stiletto’s zorgen ervoor dat ik stevig op de stam kan blijven. Hoe hoger ik kom, hoe droger het wordt. Als ik boven ben, breekt de zon door. Mijn dag kan niet meer stuk. De krakers hebben het nakijken. Wat voor het weer het ook is, ik ben er weer!
Koppie van Japie

Japie maakte het mee: landjepik

landjepikMeow furriendjes, daar ben ik weer. Een weekje later dan ik eerder miauwde. Dat kwam door het spannende vakantiefurhaal van mevrouw Loesje en mijn katlega Dorus. Ik heb mijn tante Cato gevraagd of wij ook op vakantie gaan. Dat is goed voor mijn opvoeding, voegde ik er aan toe, om met de woorden van de mamsie van Dorus te miauwen. Tante Cato was heel duidelijk, je klimt maar wat hoger in je boom. Daar kun je ook je horizon verbreden. In mijn boom zit nou net het probleem. Ik zal jullie miauwen hoe dat komt.

Ziektewet

Weten jullie nog dat ik in de ziektewet zat? Een gedoetje met een staart waar extra gaten in zaten?! Met mijn staart gaat het trouwens weer purrfect en met de neus van mijn mens ook. Door het kattefietje kon ik eventjes niet in mijn boom. U weet wel die boom die zo feestelijk versierd was voor mijn tweede furjaardag. Met vlaggetjes en ballonnen en lichtjes. Alleen de lampjes hangen er nog in. Dat is gezellig voor als ik zin heb in een avondklimmetje. Ik dwaal af. Terug naar de ziektewet. Terwijl ik beroerd in de hoogste mand van de krabpaal lag, liet mijn broer weten dat hij de honneurs zou waarnemen en alle controles zou doen. Warm van de koorts dacht ik dat dat een goed idee was. Iemand moet de boel toch in de gaten houden.

landjepikVerstijfd

Vanuit mijn uitzichtpunt keek ik toe hoe Foppe onder de struiken door sloop, langs Magnum wandelde voor een goedemiauw en achter de kliko’s keek. Daarna klauterde hij de boom in. De boom waar hij nog nooit in was geklommen. De boom waar nog nooit iemand anders dan ik in naar boven was gegaan. De boom waar ik al in zat toen ik nog een verweesd en verwilderd kitten was. MIJN boom dus! Ik verstijfde.

landjepikGekraakt

Rustig blijven, dacht ik nog. Het hoort bij ons werk als controleur. Foppe neemt mijn taak alleen maar tijdelijk waar. Daar hoort dit ook bij. Het is en blijft mijn boom. Dacht ik.
Ik heb het verkeerd gedacht. Sindsdien is het hek van de dam. Mijn boom wordt om de haverklap gekraakt. Door Foppe, door CW en door De Rossige. Die witte met rode vlekken, waarvan ik dacht dat hij mijn furriend was. Hij sjeest met het grootste gemak een paar keer per dag naar boven. Ik durf er niks van te miauwen. Iedereen weet wat er met mijn staart is gebeurd. Maar al zou ik er iets van miauwen hij luistert toch niet. Misschien kan Leo de raasende rieporter van de Haagse Katers dat eens uitvogelen. Hij heeft ervaring met zijn broertje Simon. Die hoort echt niks. De Rossige doet maar alsof. Denk ik.

Uit protest ben ik gestopt met klauteren. Dan maar geen controle. Ze kunnen allemaal de boom in.

Koppie van Japie

Japie vertelt: gelijkspel

gelijk spelLieve furriendjes, ga er even goed voor zitten, want ik heb breaking meows. Voordat ik het ga miauwen, is het belangrijk dat jullie eerst een rustige plek opzoeken. Dat kan je mand zijn. Op je denkpaal. In de vensterbank. Onder een struik. Op bed. Zolang jij er maar fijn ligt!

Eerlijk gemiauwd ben ik zelf nogal onderste boven van het bericht dat ik zojuist hoorde. Daarom wil ik het gelijk met jullie delen. Daar zijn we furriends voor. Zijn jullie er klaar voor? Dan ga ik het nu meowen. Ik ga namelijk furhuizen!
Zo dat is eruit. Ik hoorde het Mo zeggen. Dat Japie gaat verhuizen. En Japie, dat ben ik.

Vragenvuur

‘Maar waarom?’, hoor ik jullie denken.
‘Ben je stout geweest?’
‘Waar ga je naar toe?’
‘Gaan Foppe en Catootje mee?’
‘Hoe moet het dan met CW?’
‘En met Vriendje?’
Ho, ho, ho, niet allemaal tegelijk hoor. Of ik stout ben geweest? Nee, natuurlijk niet. Ik ben toch de allerallerliefste. Dat zegt Mo tenminste altijd. Of zou ze doen alsof? Ik heb haar niet horen zeggen waar ik heen ga. Er staat wel een rammelbak in de gang. Eentje maar, dus we gaan niet met z’n allen. Nu we het er zo over hebben, slaan de zenuwen acuut toe. Wat als ik als enige weg moet? Wat nou als ik niemand me meer lief vindt? Waar moet ik dan heen? Voor ik me kan verstoppen, zit ik al in de val.

Witjas

gelijk spelNiet veel later zit ik bij witjas op een tafel die uit zichzelf omhoog gaat. Die kan zo hoog, dat ik mijn mens bijna recht kan aan kijken. Terwijl witjas aan mijn lijf frunnikt en dingen doet die ik echt niet leuk vind, piep ik: ‘Ik hoef toch niet hier te blijven?’ ‘Hoe kom je daarbij, Japie?’, vraagt Mo, terwijl ze zachtjes over mijn koppie kriebelt. Ik weet heus wel dat ze dat doet om me af te leiden van wat er gebeurt in de buurt van mijn staart. ‘Je gaat straks gewoon weer mee terug naar huis. Naar Foppe en Catootje. Je woont toch bij ons?!’ ‘Maar hoe zit het dan met dat verhuizen?’, wil ik weten. ‘Ach lieverdje toch. Dat gaat alleen maar over je furhaal op de website van Oom Bert. Die gaat naar een andere dag, net als die van Lucky en Kever. Zij verhuizen namelijk ook. Vanaf nu gaat onze wijze, zwarte vriend terug naar de zondag om zijn mening te geven op zijn kijk van het leven. Rooie Roodmans en jij gaan jullie sterke verhalen weer op maandag miauwen.’ Opgelucht haal ik adem. Furhuizen is niet altijd in een bakkie.

Bloedbad

Mijn blije gevoel slaat spontaan om als witjas de haren van mijn prachtige plumeau voorzichtig opzij schuift. Ze wijst mijn mens op een paar gaten die daaronder zichtbaar gelijk spelworden. Het zijn overduidelijk de afdrukken van hoektanden. Ik weet nog precies wie die lafaard is die in mijn staart heeft gebeten toen ik een conflict wilde vermijden. Maar dat hou ik voor mezelf. Mo buigt iets voorover om mijn gehavende staart beter te kunnen bekijken. Als witjas er op drukt, spuit er een stinkend goedje omhoog. Ik schreeuw het uit van de pijn en op hetzelfde moment denk ik aan de meows van Oopa Floris, klap toe die bek. Razendsnel zet ik mijn kaken weer terug op elkaar. Alleen zit de neus van Mo ertussen. Witjas heeft haar handen vol aan een bloedbad op twee fronten. Nu staan we quitte, met allebei vier gaten extra.
Tot over twee weken, plus één dag.

Koppie van Japie

Japie: een ongewoon gewone dag

dagHet lijkt een dag als alle anderen. De zon kleurt de lucht met een warm oranje en roze gloed. Mussen en mezen wedijveren om het hoogste lied en kwetteren door elkaar.

Meeuwen op het dak krijsen dat de vis schaars is. Sinds de komst van een enorme plastic plasdoos in de slaapkamer staat er steevast file voor het ochtendtoilet. Terwijl Foppe graaft en graaft en nog meer graaft, start tante Cato met gymnastiek om haar conditie op peil te houden. Ze loopt rondjes over het kussen, doet een hordeloop over bulten die onder het dekbed uitsteken en slalomt tussen voeten door. Mijn broer is eindelijk klaar met graven en warmt zijn stembanden op met meows waarbij sirenes stil zijn. Mo kreunt en steunt en mompelt dat het nog midden in de nacht is. Tot zover is alles hetzelfde als altijd.

Gesmoorde knuffel

Waar ons mens zich normaal slaapdronken uit bed hijst, springt ze er nu uit. Nou ja, springen is een duur woord, maar jullie snappen het verschil. Neuriënd zet ze alles klaar. Ik kringel rond haar benen, Foppe blèrt, Catootje sist tegen Vriendje die ook al zit te wachten voor zijn ontbijt. Terwijl ze onze voerbakken klaarzet, vraagt ze of we weten welke dag het dagis. Vragend kijk ik Foppe aan, die acuut stopt met zijn gejammer. Mo wacht ons antwoord niet af, maar hijst me omhoog. Ze overlaadt mijn kop met ontelbare zoenen, ik druk mijn wang tegen de hare en ze zegt ’ik ook van jou’. Na een kroel die eindeloos lijkt te duren, kijkt ze me weer aan. Haar ogen zijn nat, net als mijn vacht. ‘Gefeliciteerd met je tweede verjaardag, allerliefste Japie’, klinkt het schorrig. Zou ze teveel geneuried hebben?

Ontbijt met kip

Ik ben beduusd van dit moment. Nog wat sniffend kondigt Mo aan dat we feest gaan vieren. En hoe! Het ontbijt is werkelijk waar furrukkulluk. Waar ik altijd mee eet met het dieetvoer van mijn broer krijg ik nu een driedubbele portie met kip in sappig water. Het kwijl drupt weer langs mijn kin als ik er aan terug denk. Als ik naar buiten loop om uit te buiken, zie ik dat mijn boom is versierd met gekleurde vlaggetjes die zachtjes wapperen in de wind. Magnum snuffelt vanuit zijn ren er vanavond een grote furrassing is voor mij. In mijn buik voel ik een rare kriebel beginnen. Een soort opwinding die groter groeit tot blije bubbels. Zo voelt het dus om jarig te zijn.

Feest

dagDe hele dag gonst het van de bedrijvigheid. Als het eindelijk donker is, komen ze tevoorschijn. Van heinde en ver en uit alle hoeken komen mijn furriendjes. De tuin wordt steeds voller en iedereen kan er bij. Ze brengen knapperige kippenpootjes mee, sappige bosmuizen en mussen die eerder deze dag al van het dak vielen, omdat het zo warm is. CW en De Rossige imiteren Freddy Meowcury. Zodra ze ‘Don’t stop meow’ inzetten, gaat iedereen los. Degenen die onverwacht moesten afhaken nemen we in gedachten mee, zodat ook zij bij ons zijn. Tot diep in het donker dansen we en sjansen we, want van de stoere furhalen van Oopa Floris krijgen we allemaal inspiratie. Pas wanneer de vogels weer gaan kwetteren, sluit KeverT het feest af. Zijn spirituele muziek op het spiraal laat zelfs de meest luidruchtige gast stilvallen. Het is thuis om naar huis te gaan.

Dank jullie meow, lieve furriends, dat jullie mijn furjaardag tot een onvergetelijke dag hebben gemaakt.

Koppie van Japie