
Het zachte gekriebel onder mijn wangen maakt me soezerig. Traag glijden de vingers heen en weer, steeds weer, tot ik knikkebol. Ken je dat gevoel, dat je kop naar beneden valt, terwijl je eigenlijk wakker wilt blijven om te genieten van het moment? Voor mijn ogen langzaam dichtvallen kijk ik naar haar op. ‘Wat is dit lang geleden, Mo,’ verzucht ik, ‘dat we Saame op de bank zaten.’ Mijn mens streelt mijn kop en drukt me dichter tegen zich aan. ‘Dat is het zeker, lieve Japie, ik heb jou ook zo enorm veel gemist.’ Zou ze speciaal voor mij die lekkere zachte broek met pantervlekken aan hebben getrokken? Die is kattastisch om tegen aan te slapen. Ik voel mijn lijf steeds meer ontspannen, terwijl haar vaardige vingers purcies de juiste plekjes aaien. Vergeten en vergeven is haar vele afwezigheid. Nu is ze er. En ze is helemaal van mij. Niets kan dit gelukzalige moment verstoren. Of toch wel?!
Schijnwerper
‘Wat is dat bij je oor, Japie?‘ Traag til ik een ooglid op. Wat nu weer? We hebben het net zo fijn met elkaar. Ik voel hoe zo over me heen buigt, om het beter te kunnen zien. ‘Er zit echt iets in je oor hoor!’ Dat weet ik, het kietelt er al een tijdje, en het boeit me niks. Niet nu ik zo lekker lig. Kan het niet wachten?! Ze pakt die verfoeide telefoon die ze eindelijk eens had weggelegd. Daar was ze de laatste tijd zo druk mee. Met bellen en typen en gedoe. Nu blijkt er ook nog een schijnwerper op dat apparaat te zitten. Ze richt het felle licht op mijn oor en slaakt een kreet in de net nog zo serene ruimte. Weg is de rust. ‘Jakkie Japie, er kruipen vlooien uit je oor!’ Dat was het dus wat ik steeds voelde. Lekker laten zitten, probeer ik nog, maar het is tegen dovemans oren. Ze luistert niet, springt van de bank, rent naar de kast, rukt een laatje open en komt terug gesneld met iets in haar hand. Voor ik het weet, drukt ze een koud goedje in mijn nek. Ik ben te verbouwereerd om te protesteren. Dat ze tegelijkertijd een handvol kipsnackjes onder mijn snufferd legt, helpt misschien wel poesitief mee.
Van kwaad tot erger
Nadat ze mijn broer en tante ook heeft overvallen met zo’n goor pipetje begint ze aan het fleecekleed te trekken, waar ik net zo lekker op lig. ‘Ga er eens af, Japie, het moet in de was. Nu!’ In allerijl verzamelt ze onze mandjes en propt ze in de wasmachine. Als daarna de stofzuiger tevoorschijn komt, is de sfeer definitief verpest. Ons momentje van geluk Saame was van korte duur. Ik kan me maar beter met katse dingen gaan bezig houden en duik
de geheimen van het donker in.
De volgende avond ligt het kleed fris gewassen op de bank. Vlak voor ze naar bed gaat, kruip ik bij haar. Alles lijkt weer normaal. Totdat Mo me begint te aaien. In een fractie van een seconde sta ik wederom in de spotlights. Misschien had ik eerst even moeten miauwen dat ik per ongeluk op een tekennest was gaan liggen. Maar het is al te laat. Ze weet dat ik een bloedhekel heb aan kammen en toch waagt ze het om met dat stalen ding door mijn jas te gaan. Laat ik het erop houden dat we daarna weinig gezellig doen tegen elkaar. Haar stem gaat steeds een paar octaven hoger als ze me maant om mee te werken. Ik trek alles uit de kast om dat tegen te gaan. Katzijdank zijn mijn stiletto’s in optima forma. Zij houdt mij in een houtgreep, ik haar. Ondertussen gillen we tegen elkaar. Dat er niemand aanbelt om te vragen wat er aan de poot is, is een wonder.
Weer bij zinnen
Tot diep in de nacht trekt ze wederom de stofzuiger op de hoogste stand achter zich aan. Geen enkel plekje ontkomt aan het brullende zuigmonster. De wasmachine draait op volle toeren. Ieder hoekje wordt minutieus onderzocht op sporen van beestjes. Kasten worden uitgesopt. Alles wat schoon en droog is, gaat in vuilniszakken die hermetisch worden dichtgeknoopt. Nergens een zacht plekje, zelfs het matras gaat van bed. Als na een paar

licht en donkers van grondig boenen de eerste herfststorm losbarst, kijkt tante Cato ons mens vragend aan. ‘Waar moet ik slapen? Ik kan toch niet met mijn magere botjes op de harde grond liggen?’ Verdoofd door slaapgebrek kijkt Mo om zich heen en ziet ons half ontmantelde huishouden. Dat is het moment dat Mo na dagen van waanzin langzaam bij haar positieven komt. In allerijl scheurt ze de vuilniszakken open waar de schone manden uit buitelen. Met tranen in haar ogen tilt ze m’n tante op en legt haar voorzichtig op het dikste en zachtste kleed. Foppe krijgt een paar ferme zoenen, terwijl ze goedmakende woorden in zijn vacht fluistert. Dan ben ik aan de beurt. Zachtjes wrijf ik tegen haar handen die ruw zijn geworden van het soppen. ‘Sorry ventje,’ zegt ze met gesmoorde stem, ‘ik wil zo graag met je kroelen, maar ik krijg ook nog steeds jeuk van je.’ Ik doe alsof ik dat niet gehoord hebt en kruip zo dicht mogelijk tegen haar aan. Dat is gewoon de beste remedie tegen dit soort kriebels.
Koppie van Japie
Hoe het presies kan weet ik niet, maar mijn zomer is terug, ik lig de hele dag in de zon in mijn tuin, ik blijf weer tot heel laat buiten, en weeten jullie wat zo biesonder is?, mijn Mikkie is ook terug!, zau dat met elkaar te maken hebben of is het toefal?, ik weet het niet en het geeft ook niets want mijn Mikkie en Juultje zijn weer elke dag op het dak van het schuurtje, mijn zomer is er en Pokon komt elke dag mijn eeten opeeten: alles is in orde.
Later kwam mijn man buiten zitten bij mij en ging mijn vrouw weer naar binnen, zo ging het de hele dag door, folgens mij zijn er in die tijd wel honderd mannen met masjienes binnen geweest, ze klonken heel vriendelijk en rustig, maar ik ging toch niet naar binnen, je weet het tenslotte nooit, het zau best kunnen dat ze mij zauden zien en dan ineens dachten Die katerman ga ik fangen, en dan had ik probleemen.
ik hier woon, dat ze altijd heel erg trots op me zijn, en dat ze ferbaasd waren dat ik helemaal niet meer nerfeus was na zo een lange dag vol met freemde geluiden en mannen en gedoe.
De hele week had ik allerlei dingen waarvan ik dacht ‘dát moet ik onthouden voor m’n blog op zaterdag, en dat, en dat…’
lekker zelf. Bléééhhh. Maar een vervangend diner geserveerd krijgen? Nou, echt niet hoor. Eten wat de pot schaft, noemt m’n personeel dat dan. En als me dat niet aanstaat, kan ik altijd verder met de restjes in m’n brokjesbak zeggen ze. Gelukkig werd er voordat ik die nacht aan m’n straatcontrole begon nog wel wat lekkers in m’n snoeptoren gedaan, anders was ik in m’n pauze tijdens m’n werk toch echt wel op zoek gegaan naar een lekkere sappige muis. Zonder worteltjes.
Gisteravond was het zulk lekker weer dat ik nog voordat ‘t echt donker werd al op m’n catwalk zat. Da’s tegenwoordig helemaal geen gemakkelijke klus om daar te komen, want er groeien sinds een paar weken enorme lange stengels, nog langerderder dan m’n nieuwe hengel, en daar komen volgens m’n personeel ook nog ‘s hele grote gele bloemen aan.
Hallo katermannen en kattenpoezen,
Kri-kri
En dus bleef ik op de schutting zitten, terwijl de jungle om mij heen tot leven kwam. Ik hoorde het zachte geritsel van de bladeren, het getik van de egel die langs de heg liep, en het ritmische gezang van Kri – Kri, dat klonk als een geheim dat alleen de nacht kende.
Vorige blog had ik gemauwd over dat ik op reis moest. Naar witjas. Want die kwam helaas niet meer naar mij. Fandaag lezen jullie hoe die dag mij verging.
liet mij maar even en ging haar eigen ding doen en ik deed het mijne.
Mooi