Alle berichten van mevrouw Bert

Hoe Bert zijn stem vond

In het asiel had Bert er kwetsbaar uitgezien, niet echt een kater die veel miauwde en steeds in gesprek wilde gaan over de dingen van de dag. Eenmaal hier, zei hij ook niet veel. Op zijn dossierkaart stond: ‘moet beslist een rustig huis’, dat was wegens zijn diepe onzekerheid.

Af en toe hoorde ik een kleine mew, zacht van toon en het leek wel, of hij niet goed wist hoe hij moest miauwen. Niet iedereen doet zoiets, dacht ik nog, en verder gaf ik er weinig aandacht aan. Jaren voor Bert had ik een keer een Siamees ontmoet die overal een luide mening over ventileerde, tot en met de manier waarop ik mascara gebruikte, en op die mening verwachtte hij dan een weloverwogen antwoord.
Dan liever het stille.

Geluid

Maar Bert had wel degelijk stembanden, ontdekte ik. Het gebeurde op een middag waarop ik heel wat boodschappen had te doen. Dan weer hierheen, dan daarheen, komen en gaan met tassen thuis neerzetten en weer door.
Dat beviel Bert niet.
Het gebeurde dat ik na het zoveelste rondje thuis kwam en stopte in mijn gang. Bert zat op de trap, alsof hij me had opgewacht en hij keek me indringend aan.
Ik wachtte.
Stilte.
“Wat is er Bert?” vroeg ik.
Hij gaf een luide MEWWW. Het grote geluid vulde de hele gang, het was rauw en ook wel lelijk, niet echt het lieflijke geluid dat je van een poezelig uitziende kater verwacht.
Na de MEWWW keek hij me weer aan. Hij had gezegd. Nu ik.

Het duurde nog even eer ik hem begreep. Hij ergerde zich aan mijn in en uit het huis gaan. Die onrust. Dat steeds denken ze laat me alleen, o ze is er weer. Hij had er genoeg van.
“Sorry Bert,” zei ik.
Erna regelde ik dat anders. Met twee grote boodschappentassen – elk over een schouder – hoefde ik maar eens per middag weg.

Poesiemauw

Die grote MEW was het begin van het vaker miauwen. Een veelprater werd hij niet, maar hij leerde wel dat hij ook wat te zeggen had, en dat er naar hem geluisterd werd. En echt poesiemauw-mooi klonk het nooit, maar eigenlijk is dat ook nergens voor nodig.

Bert en de donutmand

Van de ene dag op de andere dag wilde Bert niet meer in zijn mand bij de verwarming. Ik wist niet wat de reden was. Bert zelf hield zich op afstand, dus het was aan mij de oorzaak te ontdekken.
Daar was enige haast bij. Het regende in die tijd vaak en Bert voelde dat met zijn artrose, ondanks de pijnstillers. Dan lag hij juist graag in die mand tegen de verwarming aan. Het hielp.

Donut

Ik keek in de mand, onder de mand, bestudeerde de locatie en de verwarming en net toen ik op het punt stond de dokter op te bellen, begreep ik het. De mand moest in de was. Bert lag er niet meer lekker in.
Geen probleem.
Maar eerst moest er een andere mand geregeld zijn, want het bleef maar regenen en Bert moest wel bij de verwarming kunnen liggen.
Ik had nog een donutmand, een vreemd geval vond ik zelf, maar ja het was wel warm.

Terwijl boven de wasmachine draaide, keek ik beneden naar een kritische kater. Een donutmand? Daar kon hij niets mee.
Ik stak mijn hand in de opening en zei: “Hier kun je in Bert, dat is warm.” Hij wilde niet.
Ergens in mijn fotoverzamelingen is een onvindbare foto van hetgeen er later die dag gebeurde. Bert ging overdwars op de mand liggen. Niks in de donut. Er dwars over.
Dat het niet beviel, zag ik aan zijn gezicht.
Maar hij wilde beslist op die plek bij de verwarming liggen, dus dan maar op een stomme mand.

Berging

Toen zijn eigen goede mand weer schoon en droog was, en hij weer plaats kon nemen op een vertrouwde locatie, zag ik nog steeds iets van verontwaardiging dat ik hem zo’n mand had durven geven. Dat snapte ik ook wel. Een goede mand moet je in tweevoud kopen, een in de was, een in gebruik. Maar dat was wijsheid achteraf.

Nog steeds ligt de donutmand op de berging, waar ook veel andere herinneringen aan hem en andere katten liggen. Hoe kan ik het rode drinkbakje van Amore immers weg doen? De dekbedovertrekken waaronder ik op de bank sliep, om de laatste maanden bij Tim te kunnen zijn?
Iets in mij verzet zich tegen weggooien, ik wil bewaren, want stel dat ze terug komen, dan heb ik wat. Ja, minus die donutmand, dat is waar.

Waarom Bert in en uit de doos sprong (43)

Dat Bert geen dozenkater was, stelde me aanvankelijk wat teleur. Op talloze websites zag ik hoe leuk dat was, een katerkop uit de doos stekend, dus dat wilde ik ook. Het was een kwestie van het juiste aanbod, vermoedde ik.

Met dat vermoeden begon een zoektocht naar de juiste doos en ik gaf niet snel op:
– uit de supermarkt haalde ik een bananendoos, met een gat onderin, dat leek me overkomelijk maar Bert keek kritisch dus de doos ging weer terug
– nadat de nieuwe stofzuiger dagen lang in de kamer had gestaan en het wennen goed was gelukt, leek de doos ervan me een veilige thuis-geur te bezitten dus die liet ik staan, maar Bert liep langs de doos heen of die onzichtbaar was
– kleine dozen bleken te klein, grote dozen te groot, een middenmaat sprak hem niet aan

En het duurde nog best een tijd, eer bij mij het kwartje voel en ook bleef liggen: Bert wilde niet in doos. Dat gaf in zekere zin rust in huis. De jacht op de juiste doos was voorbij en Bert was verlost van mijn aanprijzende uitnodigingen om toch vooral in de doos te stappen.
We konden zonder.
De slaapdoos was zo ver opengemaakt, dat het feitelijk geen doos meer was.

Bonk

De hele dozen episode lag ver achter ons, voorbij en vergeten, toen ik op een late avond er weer aan terug dacht. Ik lag in bed, het licht was uit en ik doezelde richting slaap, toen ik een BONK hoorde. Daarna stilte. Iets van buiten, hoopte ik.
Weer een bonk.
Toen knipte ik toch het licht aan. En daar stond Bert voor de tafel met dozen, mij aankijkend met een vragend gezicht, wat of er aan de hand was.
Achter hem zag ik die ene doos, voor de helft gevuld met boeken. Hij was er kennelijk in gesprongen, even er gebleven en dan weer uit de doos gesprongen.
“Moet kunnen, Bert,” zei ik en deed het licht uit.

Stil

De avonden erna hoorde ik weer die BONK. Een kater van formaat maakt geluid, en ik wist nu wat het was. Steeds dacht ik erover na, of het in het leven aankomt op je juiste doos vinden en dat dan alles goed komt. Een mooie levensvraag, waar ik geen antwoord op wist te vinden. Dat was maar goed ook, want zo plotseling als het dozenspringen was begonnen, zo plotseling hield het op. Het was weer stil op de slaapkamer.
Nog steeds begrijp ik het niet. Was het een fase, waarom juist deze doos, wat beleefde Bert er door, of was het om mij toch iets van kater-in-doos te laten beleven? Een mysterie is het, van het beste soort.

Bert en de gloephoest (42)

Met de warme dagen kwam het verharen en verharen betekende voor Bert een overvloed aan losse haren in zijn vacht, stuk voor stuk kriebelend en irriterend.

“Bert, zal ik je borstelen?” vroeg ik met de borstel al klaar in handen. Het was geen goedkope aanschaf geweest, maar na veel afbeeldingen van katers die juist van dit model gelukkig werden, leek me de aanschaf onvermijdelijk.
Bert rook voorzichtig aan de borstel en keek me aan, inschattend hoe serieus ik was.
“Alleen als je het fijn vindt,” zei ik, waarmee ik meteen de laatste hoop opgaf.
Kammen wilde hij evenmin.
Een handschoen-borstel ook al niet.
Deppen met een vochtig doekje: nee.
Hij wenste met de hand ge-aaid te worden en dat mocht best langer, gezien het verharen, maar verder wilde hij geen toestanden aan zijn lichaam.

Het aaien bleek niet genoeg als hulp bij het verharen. Af en toe hoorde ik een nare gloephoest uit Bert komen: dat gloe-gloep hoesten, dat schrapen in zijn keel, wat vochtige geluiden, smakken, stilte, slikken.
En even later weer.
Heel soms kwam er een haarbal. Meestal niet.

Er is een wereld aan hulpmiddelen voor de kater die wat extra’s bij het verharen nodig heeft. Voor Bert keek ik kritisch, denkend aan de nieren, de alvleesklier, wie weet de schildklier en nou ja, het moest gewoon goed spul zijn. Op advies van zijn arts kocht ik een tube hulp-spul. Het mout zou de haren beter verteerbaar maken en dan was het probleem opgelost. Online las ik dat katten het heerlijk vonden. Net als met de kwaliteitsborstel, geloofde ik dit ook.
Ik kocht het spul.

Diezelfde dag bood ik het spul aan op een schoteltje: “Voor jou Bert.” Ik acteerde zo blij mogelijk, maar in de keuken had ik aan de pasta geroken en meteen gevoeld, zelf zou ik dit niet eten.
Wat ik voelde, dat voelde Bert ook.
Een solide en onwrikbaar nee.
“Echt niet Bert?”

Online las ik ook over pasta op een pootje doen en dat likte de kater in kwestie het gewoon op. Deze keer geloofde ik het niet. Zou ik het zelf van mijn hand likken? Nou dan.

Bert en zijn gezondheidsplan (41)

Elke keer als Bert ook maar het kleinste mankement aan zijn gezondheid had, maakte ik een gezondheidsplan, als ware het een businessplan.

Er stond in wat het doel was, ik noteerde het plan om het doel te bereiken en calculeerde de risico’s in. Dat had ik van de laatste jaren met Tim geleerd. Mijn kleine rode kater kreeg gebreken, zeker vanaf zijn dertiende jaar, en verwachtte van mij een oplossing. Dat laatste is eigenlijk te hoogmoedig gezegd. Tim accepteerde de situatie zoals die was, in tegenstelling tot ondergetekende. Elke keer formuleerde ik het doel: Tim is gezond en gelukkig. Ik visualiseerde dat vervolgens. En daarna dacht ik: hoe komen we daar. Zo kwam elke keer het plan tot stand. Ik voelde me verantwoordelijk.

Plan

Die ervaring kwam me dus goed van pas bij Bert. In augustus 2024 stelde de dierenarts was dat hij nierproblemen had, de waarden lagen boven de grens, niet veel maar toch.
Bij mij kwam het harder aan dan bij Bert. Want Tim had chronisch nierfalen en op de laatste dag acuut nierfalen. Het kwam allemaal weer terug voor mijn geestesoog.
Dus mijn plan bestond uit twee delen: omgaan met Bert en omgaan met mezelf.

Doel

Het doel was: ‘Bert heeft zijn tevreden gezicht, hij eet met smaak en hij kan gemakkelijk doen wat hij wil’.
Daar zaten dus de problemen in. De laatste tijd had hij zo moeilijk gekeken, eten lukte haast niet en hij was hangerig op de verkeerde manier.
Voor mezelf was het doel: ‘Ik ben sterk en stabiel, Bert kan op mij leunen en steunen.’ Want ja, hij had weinig aan een vrouw die de hele tijd bang naar hem keek. Ik ging dus buitenshuis huilen, tijdens het fietsen, zodat de angst min of meer uit mijn systeem was en ik me kon richten op sterk en stabiel zijn. Elke dag weer.

De middelen om het doel voor Bert te bereiken waren overzichtelijk: ander eten. Cerenia tegen de misselijkheid. Eventueel homeopathie. Me inlezen op nierziekte, spierzwakte, calcium-supplementen en wat ik allemaal meer ontdekte al lezend. Middelen waren ook wat ik noteerde om te onthouden en te praktiseren:

  • Aaien is ook medicijn
  • Nabijheid is ook medicijn
  • Praten is ook medicijn
  • Lieve woorden zijn ook medicijn

Opluchting

Na een poosje gingen we terug naar de dierenarts voor nieuw bloedonderzoek. De nierwaarden lagen weer onder de grens, aan de goede kant dus.
Bert nam het op zoals het was. Lekker, weer gewoon eten.
En ik moest weer gaan fietsen en bijhuilen, van angst en opluchting over het voorbijgaan van de dreiging, emoties die een lange geschiedenis hadden.