Wanneer een asiel-kater een thuis vindt bij een vrouw, is het voor beiden een proces van wennen en op elkaar afstemmen. Bert had spanningen en moest veel spelen. Ik had verdriet om mijn vorige kater Tim en moest veel huilen. Dat combineerde niet.
Spelen
Of beter gezegd, dat combineerde in het begin niet. Bert en ik vonden geleidelijk een weg om hierin met elkaar om te gaan.
Ik structureerde het spelen van Bert in: elke ochtend en elke avond, zo lang als hij wilde en ik keek op de klok want ik wist, gemiddeld wil hij 15-20 minuten. Daardoor hield ik wat greep op de tijd en ik wist, tussendoor spelen kan ook. Want ik had ook nog een eigen bedrijf te leiden, ik was kostwinner voor ons beiden. Dus, spelen kon. Alleen ’s nachts weigerde ik. Er waren grenzen.
Warm
Dat ik verdriet had, kon Bert op zijn beurt min of meer verdragen. Moest ik huilen, dan mocht ik mijn gezicht in zijn vacht duwen tot de plekken in zijn vacht te nat werden. Na het huilen kwam het stille verdriet, en dan bood Bert zijn grote warme lichaam aan als troostende nabijheid.
Zelf vond ik het niet eerlijk tegenover hem. Al dat verdriet, hij had recht op een vrolijke vrouw. Maar verhelpen kon ik het niet, al ging ik wel vaak fietsen om dan het verdriet toe te laten. Kwam ik thuis, dan keek hij me onderzoekend aan en wist genoeg. Tijd om samen te liggen en zacht te aaien.
Hoekje
Het gebeurde allemaal met een grote vanzelfsprekendheid, die me nu verwondert. Dat Bert met zijn angstklachten zo goed was in de emotionele zorg. Dat hij precies begreep wat ik nodig had oen ook in staat was die troost te geven.
Geleidelijk verdween het verdriet om Tim, of nee, dat was anders, het verdriet vond onderdak in een hoekje van mijn hart, waar het nog steeds is. Niet alles gaat over.
Troost
En nu is Ollie er, die helemaal niet kan omgaan met verdriet, hij zit nog zo in de knoop met zichzelf dat hij nodig heeft dat ik elke dag hetzelfde ben. Dat ben ik ook, min of meer, dat wil zeggen alleen binnenshuis.
Buitenshuis denk ik aan Bert, er komen tranen, en ook is er een echo van de liefde die we deelden, en zijn vermogen tot troosten vervult me opnieuw met een zachte vreugde, net als toen.
Lieve allemaal, het is nog stees winter maar ik merk elke dag dat de zon stees meer komt. Binnekort is het dan echt lente want de maand Januwaarie is bijna om en dan is het nog maar twee maanden tot de lente er is. Zelf kijk ik heel erg uit naar de lente want dat vind ik zo heel erg fijn. Ik hou van de zon en de zonnestraale en ik vind dat alles nou wel een beetje te lang duren. Van mij mag het altijd wel lente of zomer zijn.
Sinaasappels
Zit er helemaal geen moesje in de tas of een likwitsneks? Ik moet eefe gaan tjekken hoor. De sinaasappel tjek is eigenlijk een afleiding om te kijken wat mijn ooma allemaal gekocht heeft en zo weet ik wanneer ik weer om sneks kan vragen.
Toen ik pas hier kwam wonen was ik nog heel klein een echt ukkepukkie. Ik had het erg druk met alles verkennen en dan alleen maar wat laag bij de grond was. De anderen sprongen met gemak op het aanrecht of op de hoge kast en dan kon ik alleen maar toekijken en hopen dat ik dat op een dag ook zou kunnen. Maar zover was ik nog lang niet.
Ze zette me op het aanrecht zodat ik de visjes goed kon bekijken.
Ik moest erbij gaan zitten en opletten dat de visjes niet uit de kom sprongen.
Mijn letters voor deze keer zijn heel simpel. Het is een vraag. Een vraag die wellicht vragen oproept. Wees gerust, ik zal ze allemaal in dit furhaal beantwoorden. De vraag is: Wie wil er een stukje van mij hebben?
Er zat niets anders op dan het afknippen van mijn ooit zo lange lokken die inmiddels als vervilte ballen tegen mijn huid aan zaten geplakt. Met minuscule knipjes moest een ieniemienie schaartje het werk doen. Haartje voor haartje werd voorzichtig los geknipt, beetje bij beetje, tot uiteindelijk de hele klit los kwam. Ik moet erbij miauwen dat hier dagen per klit over heen gingen, omdat ik bij ieder knipje in de handen van de kapper beet. Handen die ik ook al in de klem had met mijn stiletto’s.
Suikerspin
Nu het winter is merk ik wel dat ik geen fijf of acht jaaren meer ben, en al helemáál geen beebiekitten meer, als je jong bent maakt de kau je niet veel uit, en zeker als je nog maar een mini bent ben je de hele dag aan het speelen en ontdekken en groeien, zonder je iets aan te trekken van kau of reegen.
Deze winter heb ik voor het eerst ontdekt hoe heerlijk het is om lekker in mijn warme kermusmand te slapen, en dan bedoel ik niet alleen in de nacht, maar ook oferdag, dat deed ik nooit, in forige jaaren snapte ik de winter nog niet zo goed en ferfeelde ik me de hele tijd, maar dit jaar ga ik efentjes buiten een plasje of een poeps doen en ik kom meteen weer binnen om geborsteld of gekamd te worden, dan speel ik met mijn ketnipmuis of mijn ketnipaarbei en daarna kruip ik zó weer in mijn mand bij de ferwarming om te knorren.
Ik ben al jong geweest en dat draag ik nog met me mee, kleine Kever woont in mijn hoofd, net als de Kever die folwassen was maar nog niet echt auder, PLUS nog seeniejor Kever, er zijn dus eigenlijk wel drie Kevers in mijn hoofd, en zo heb ik echt keiveel erfaaring!