Tegen mijn zin in moest ik onder ogen zien dat het op de slaapkamer een chaos was geworden. Stapeltjes boeken die omvielen, een te vol geladen stoel met kleding, handdoeken die overal en nergens lagen, nee, dat kon niet langer zo.
Er moest een kast komen.
“Sorry Bert,” zei ik bij voorbaat tegen zijn argeloze gezicht, want ik ging die kast zelf in elkaar zetten.
Spanning
Het viel tegen.
Het bouwpakket hout bleek groter dan ik had verwacht. En ook zwaarder en logger, want twee trappen op, waar ook nog van alles op stond, het was een worsteling. Pas later dacht ik aan iets praktisch als beneden uitpakken.
De kast in elkaar zetten lukte heel aardig. Bert lag op het bed en keek belangstellend toe. Toen kwam ik bij iets dat de spanning heette en dat aan de achterkant moest worden bevestigd.
Kan best zonder dacht ik en zette de kast neer.
Die zakte zowat in.
Het moest dus mèt. Wat niet lukte en toch moest.
Het duurde even eer de kast fatsoenlijk stond.
Toen had Bert al een toevlucht beneden gezocht.
Ik legde er een kussen in, want op Facebook had ik foto’s gezien wat katten die graag in de kast slapen. Dat kon nou ook hier.
Oplossing
Misschien hing er nog wat negatieve energie op de slaapkamer, want die nacht bleef Bert liever beneden. De nacht erna ook.
De dag erna riep ik hem overdag naar boven en ik zag hoe hij langs de kast sloop, een lage rug, hij vond het eng.
Dus ik prees hem uitvoerig: “Wat een dappere katerman ben je toch!” Aaien. Knorren. Aaien. “Hè hè,” zuchtte ik plaatsvervangend alle spanningen weg. Het bleef een beetje moeilijk maar het ging. Uiteindelijk besloot Bert de kast te negeren. Ik vond het een goede oplossing.
Nacht
Maanden later, het kan ook een jaar of langer zijn geweest, werd ik midden in de nacht wakker door een hard geluid.
BONK.
Even later: BONK.
Ik zat rechtop. “Bert?” Het licht aan.
Ja, Bert.
Hij keek me vragend aan, wat of ik wilde weten, en dat hij net zo lekker aan het spelen was, met in en uit de kast springen.
“Alles in orde hoor Bert,” zei ik.
Licht weer uit.
BONK.
Na een periode van weken en maanden aan elkaar wennen, bereikten Bert en ik het tijdloze stadium. Tijdloos, omdat elke dag op de andere leek, onze vaste gewoonten, het huis waarin alles hetzelfde bleef, er veranderde niets en ook al tikte de klok door en verstreek de tijd, Bert en ik bleven altijd in het hier en nu en dat was samen.
Na de eerste maanden van het wennen, besloot Bert op bed te gaan slapen. Er zijn katers en poezen die dan gezellig inschikken, onder het dekbed kruipen of juist er weer op, ongeacht of en hoe er iemand onder ligt, maar Bert was dat niet van plan.
Een keertje wat overgeven kan, vond ik, maar toen Bert met enige onregelmaat een wittig bergje spuug op het tapijt deponeerde, werd ik ongerust.
Om redenen die ik niet begreep en ook niet uitgelegd kreeg, besloot Bert op een ochtend dat hij naar de badkamer wilde, om precies te zijn op het moment dat ik altijd onder de douche stap.