Alle berichten van mevrouw Bert

Bert en de slaapkamerkast (35)

Tegen mijn zin in moest ik onder ogen zien dat het op de slaapkamer een chaos was geworden. Stapeltjes boeken die omvielen, een te vol geladen stoel met kleding, handdoeken die overal en nergens lagen, nee, dat kon niet langer zo.
Er moest een kast komen.
“Sorry Bert,” zei ik bij voorbaat tegen zijn argeloze gezicht, want ik ging die kast zelf in elkaar zetten.

Spanning

Het viel tegen.
Het bouwpakket hout bleek groter dan ik had verwacht. En ook zwaarder en logger, want twee trappen op, waar ook nog van alles op stond, het was een worsteling. Pas later dacht ik aan iets praktisch als beneden uitpakken.
De kast in elkaar zetten lukte heel aardig. Bert lag op het bed en keek belangstellend toe. Toen kwam ik bij iets dat de spanning heette en dat aan de achterkant moest worden bevestigd.
Kan best zonder dacht ik en zette de kast neer.
Die zakte zowat in.
Het moest dus mèt. Wat niet lukte en toch moest.
Het duurde even eer de kast fatsoenlijk stond.
Toen had Bert al een toevlucht beneden gezocht.
Ik legde er een kussen in, want op Facebook had ik foto’s gezien wat katten die graag in de kast slapen. Dat kon nou ook hier.

Oplossing

Misschien hing er nog wat negatieve energie op de slaapkamer, want die nacht bleef Bert liever beneden. De nacht erna ook.
De dag erna riep ik hem overdag naar boven en ik zag hoe hij langs de kast sloop, een lage rug, hij vond het eng.
Dus ik prees hem uitvoerig: “Wat een dappere katerman ben je toch!” Aaien. Knorren. Aaien. “Hè hè,” zuchtte ik plaatsvervangend alle spanningen weg. Het bleef een beetje moeilijk maar het ging. Uiteindelijk besloot Bert de kast te negeren. Ik vond het een goede oplossing.

Nacht

Maanden later, het kan ook een jaar of langer zijn geweest, werd ik midden in de nacht wakker door een hard geluid.
BONK.
Even later: BONK.
Ik zat rechtop. “Bert?” Het licht aan.
Ja, Bert.
Hij keek me vragend aan, wat of ik wilde weten, en dat hij net zo lekker aan het spelen was, met in en uit de kast springen.
“Alles in orde hoor Bert,” zei ik.
Licht weer uit.
BONK.

Bert en het plekje bij zijn neus (34)

Na een periode van weken en maanden aan elkaar wennen, bereikten Bert en ik het tijdloze stadium. Tijdloos, omdat elke dag op de andere leek, onze vaste gewoonten, het huis waarin alles hetzelfde bleef, er veranderde niets en ook al tikte de klok door en verstreek de tijd, Bert en ik bleven altijd in het hier en nu en dat was samen.

Tijdloos

Dat hier en nu duurde jaren, weet ik nu.
Het was de middenfase, die komt na het wennen en voor de fase van de diepe zorgen. In de middenfase is het leven samen eindeloos lang, en het besef dat het ooit kan eindigen is ver weg op een achtergrond wel aanwezig maar verder niet, dus eigenlijk is dat besef afwezig, is het niet-bestaand, en waarom zou het ook bestaan als elke dag na de andere komt.
Zo leefden we dus.
Heerlijk.
Zowat zorgeloos de eeuwigheid in.

Plekje

Dat duurde tot ik op een dag zei: “Bert, kom eens dichterbij.” Hij kwam, knuffels verwachtend. Ik aaide zacht over zijn kop en keek naar dat ene vreemde. Een klein donker plekje aan de rechterzijde van zijn neus. Dat was er niet altijd geweest.
Terwijl Bert tevreden doorknorde, probeerde ik rustig te blijven, terwiijl de gedachten door me heen schoten: huidverkleuring, vast te lang in de zon geweest, ja al die waarschuwingen en mensen krijgen dan huidkanker, poezen vast ook, hoe lang zou hij nog hebben, wat moet ik doen.

Wat ik moest doen, lag voor de hand. De dierenarts bellen. Een paar dagen later volgde het huisbezoek, want Bert had nog altijd angsklachten dus alleen in nood gingen we per taxi naar de kliniek.

Op de dag van het huisbezoek leek het plekje iets kleiner. Maar het was er wel. En ik besefte dat hij de laatste tijd ook wat matter was geweest, iets wankeler op zijn pootjes. In dat besef voelde ik mijn angst om hem te verliezen, dat het zomaar mogelijk zou zijn.
De dierenarts vond het plekje geen onheilsbode, ook al niet omdat het verdween. Wel schreef ze Bert een middel voor om innerlijk wat meer kracht te vinden, dat was Zylkene.

Bijkomen

Toen ze weg was, moesten we alletwee bijkomen. Bert vanwege opeens het bezoek dat vreemde luchten meebracht. En ik omdat ons leven samen behouden bleek te zijn.
De Zylkene werkte, Bert stond weer steviger, het wondje verdween, de dagen leken weer op elkaar zoals voorheen.
Alleen ik was veranderd, in mij was het gevoel over de eeuwigheid van ons samenzijn begrensd geraakt, een gevoel dat ik met alle kracht in me verdrong.

Knorren in de nacht (33)

Na de eerste maanden van het wennen, besloot Bert op bed te gaan slapen. Er zijn katers en poezen die dan gezellig inschikken, onder het dekbed kruipen of juist er weer op, ongeacht of en hoe er iemand onder ligt, maar Bert was dat niet van plan.

Het gebeurde dat ik in bed lag en naar het tapijt ervoor keek, waar een kritische kater zat en kennelijk op iets wachtte.
“Wat wil je Bert,” vroeg ik dan.
Hij bleef onbeweeglijk zitten. Als hij zoiets moest uitleggen, neen. Dat was beneden zijn waardigheid als katerman.
Het duurde dus even eer ik hem begreep.
Wat Bert wilde, was een eigen kussen. Zijn terrein. Weten waar dat begon en waar dat ophield en dus ook waar hij heer en meester was of eigenlijk gewoon veilig.

Knorren

Ik legde dus een kussen aan het voeteneind. In een sloop.
En jawel.
Bert wenste er ook op te slapen.
Alleen, Bert wenste ook naar mij te kunnen kijken als hij ’s nachts even wakker zou zijn.
Dat kon ik me voorstellen. En het gevoel was ook wederzijds.
Per die nacht sliep ik scheef in bed. Dat voelde anders maar alles welbeschouwd wel gezellig. Soms waren we tegelijkertijd even wakker, dan keken we naar elkaar, ik aaide hem zachtjes en dan knorde hij. Van de weeromstuit aaide ik langer dan verantwoord was voor mijn nachtrust – want ja, die kleine intieme momenten van samenzijn in het donker waren me zo dierbaar. Het was of we door het nachtelijk uur elkaar nabijer kwamen.

Later sliep Bert weer beneden, maar kwam hij ’s morgens even naar boven. Ik hoorde zijn poten op de trap dichterbij komen en dan keek ik of het grote katermanhoofd in beeld kwam. Bovenaan de trap stopte hij even om naar mij te kijken. Oogcontact. Daar begon de dag, op dat moment, en als de dag zo begon, was het meteen een goede dag, ongeacht wat er verder allemaal gebeurde.

Bert en de alvleesklier (32)

Een keertje wat overgeven kan, vond ik, maar toen Bert met enige onregelmaat een wittig bergje spuug op het tapijt deponeerde, werd ik ongerust.

Ik friemelde in het spuugje, wat ik niet vies vond. Want het kwam van Bert. In het spuug zaten geen harde stukjes, en ook geen bloed; dat stelde me gerust. Maar gewoon leek het me niet. Dus van binnen groeide een zekere alertheid.
Daardoor zag ik al snel dat hij uit zijn gewone doen was geraakt.
Niks gezellig samen in de huiskamer hangen. Achter de kastjes in zijn uppie willen liggen met een gezicht dat ‘niet storen’ communiceerde.
Niet meer over de trappen willen lopen.
Minder trek hebben in het avondeten, en zelfs met knuffels en aanmoediging moeilijker eten.

Afspraak

We zijn allemaal weleens van slag, dacht ik. Maar er kwam een moment waarop ik haarscherp zag: dit is niet goed.
In dat moment maakte ik een afspraak: naar de dierenarts.
In het reiskorfje leek Bert me slapper dan anders.
Beklemmend.

Uitslag

Bij de dierenarts werd er meteen bloed afgenomen voor onderzoek. Bert en ik zaten in de wachtkamer, hij in de reismand en ik me voor hem flink houdend. “Straks fijn naar huis, hoor.”
De dokter kwam.
“De nieren zijn in orde,” begon ze. En ik was meteen opgelucht, daarna weer toen de waardes van de schildklier dat ook waren. Maar er was meer. Bert had een chronische alvleesklier-ontsteking. Er volgde een verhaal over fructose, suikerwaardes waaruit ik alleen begreep: anders eten, hij gaat niet meteen dood. De pijnstiller Onsior kocht ik groot in, evenals de Cerenia tegen de misselijkheid. En zoals mijn kleine rode kater Tim voor hem, kreeg ook nu Bert elke avond een lekker hapje met daarin medicijn, fijngemaakt in een vijzel. Hij at.

Samenzijn

Geleidelijk trok Bert weer bij. Hij at weer beter, hij wilde weer meer gezelligheid en vooral, hij zag er weer meer uit als zijn gewone zelf, als wie hij was, een oudere jongen die het leven nam zoals het was.
Alleen ik was langer dan hij van slag. Dat ernstige gezicht van de dierenarts, wat ik allemaal online had gelezen over alvleesklier, het besef kwam bij me binnen dat het samenzijn met Bert eindig kon zijn. Deze keer waren we samen er goed afgekomen. Ik wilde niet denken aan de volgende keren. En na verloop van tijd deed ik dat ook niet. Het gewone leven had zijn loop hernomen.

Bert moest naar de badkamer (31)

Om redenen die ik niet begreep en ook niet uitgelegd kreeg, besloot Bert op een ochtend dat hij naar de badkamer wilde, om precies te zijn op het moment dat ik altijd onder de douche stap.

Water

Het leven hier gaat op de klok. Regelmaat geeft ruimte en ruimte leidt tot overzicht. Het kwam me dus slecht uit dat ik de deur naar de badkamer opende en Bert zich als eerste naar binnen wurmde.
“Wat ga jij doen?” vroeg ik verbaasd.
Bert keek niet op of om. Hij stond bij het douchegordijn en wachtte in zijn waardigheid van senior kater tot ik het opzij hield.
Wat ik deed.
Daarna zette hij een paar stappen naar voren, keek omhoog naar de douchekop en wachtte.
Ik begreep het.
Voorzichtig, om zijn vacht niet nat te maken, sproeide ik wat water op de tegels. Dat bleek inderdaad de bedoeling te zijn. Bert dronk het water of hij nooit iets anders had mogen drinken en verliet daarna de badkamer. Ik moest er wel bij blijven en na het drinken hem complimenteren.
Pas dan kon ik gaan douchen.

Wensen

Die avond wilde hij weer in de badkamer om water te drinken. En de ochtend erop weer. Zo verliepen de dagen met opeens een nieuwe gewoonte, bedacht door de katerman die het liefste wilde dat alles hetzelfde bleef.
Ik voegde me naar zijn wensen.
En toen Bert interesse kreeg voor de flessen schoonmaakmiddel die er stonden, dekte ik die af met boterhamzakjes.

Badkamer

Zo plotseling als zijn nieuwe gewoonte was opgekomen, zo plotseling verdween het weer. De eerste keren riep ik nog: “Bert, ik heb nieuw water!” Daarna niet meer. De gewoonte was weg en ik kon weer alleen naar de badkamer, wat ik opeens een eenzame bedoening vond.

Ik vraag me nog steeds af waarom die badkamer zo abrupt aantrekkelijk maakte en daarna niet meer. Bij Ollie is het een vaste gewoonte, hij wil altijd mee naar de badkamer, samen zijn hoort, maar voor water drinken heeft hij weer geen belangstelling. Vooralsnog, want ik weet niet wat de dag van morgen brengt.