De eerste avond dat Bert bij me was, vers uit het asiel, sliep hij op het bed, op het hoofdkussen naast me en bij het wakker worden dacht ik: nu is dit voor altijd zo, samen op de slaapkamer.
Dus de tweede avond zei ik: “Bertje, we gaan slapen.” Ik wees naar de trap naar boven. Hij keek me aan, kalm in de kamer staand. We kenden elkaar nauwelijks maar ik begreep al wel dat hij niet mee wilde. “Kom anders later,” zei ik, toch nog hoopvol.
Hij kwam niet.
Niet die avond, niet de avonden erna. Evenmin in de weken erna en boven liggend dacht ik: waarom.
Wennen
Wennen, veronderstelde ik. Want dat was nodig, als ex-straatkater en ex-asielkater. We speelden de spanningen uit zijn lichaam, we knuffelden, Bert liet me op zijn vacht huilen als ik mijn kater Tim weer zo miste en ik deed mijn best om maar één keer per dag het huis te verlaten, omdat hij dat beter vond.
Dus ik dacht, misschien komt hij ooit, na het wennen. Of nooit, omdat hij liever elders slaapt. Pas later begreep ik dat Bert een goede reden had om weg te blijven uit de slaapkamer.
Tim
Die reden was Tim. Mijn kleine rode kater was na zeker vijftien jaar samenzijn over de
Regenboogbrug gegaan en diep van binnen accepteerde ik het niet. Ik wilde niet dat het was zoals het was, ook al had ik zelf de dierenarts gebeld voor het laatste bezoek en zelfs om spoed gevraagd, omdat Tim het zo moeilijk had.
Ze kwam en ging, en een tijdje erna had ik een witte tempeldoos met zijn urn in huis.
En nog steeds kon ik Tim niet loslaten, diep-diep van binnen.
Maanden later, zittend op de rand van het bed, zag ik in een flits van een seconde Tim in het licht staan, weer stralend gezond, en toen begreep ik het pas: dat hij het nu goed had. Beter dan in zijn zieke lichaam. Dat was het moment waarop ik Tim kon loslaten.
Op bed
Binnen een week kwam Bert naar de slaapkamer, zo gemakkelijk alsof het vanzelf sprak. Ik lag in bed, hoorde zijn pootjes op de trap en zag zijn kop uitsteken boven de traptrede.
Hij keek.
“Kom maar, hoor,” zei ik.
Hij sprong op bed, rondkijkend van waar ga ik liggen.
Snel legde ik het tweede hoofdkussen op een hoek.
“Is dit wat?”
Bert ging liggen en sliep.
En ik voelde dat er iets was veranderd.

Het leven dat ik met Bert had, was mijn ideale leven. Thuis blijven in de pyjama, temidden van de boeken, met een katerman aan mijn zijde.
Bert was nog net niet of net wel een jaar bij me, toen er een gevaarlijke ontwikkeling ontstond. Het groene spul kwam in zijn en daarmee in ons leven.
Een hond is een hond en een kat is een kat en daarom leek het me uitgesloten dat Bert, honderd procent katerman, ooit een kunstje zou doen.