Alle berichten van mevrouw Bert

Waarom Bert niet naar boven wilde (40)

De eerste avond dat Bert bij me was, vers uit het asiel, sliep hij op het bed, op het hoofdkussen naast me en bij het wakker worden dacht ik: nu is dit voor altijd zo, samen op de slaapkamer.

Dus de tweede avond zei ik: “Bertje, we gaan slapen.” Ik wees naar de trap naar boven. Hij keek me aan,  kalm in de kamer staand. We kenden elkaar nauwelijks maar ik begreep al wel dat hij niet mee wilde. “Kom anders later,” zei ik, toch nog hoopvol.
Hij kwam niet.
Niet die avond, niet de avonden erna. Evenmin in de weken erna en boven liggend dacht ik: waarom.

Wennen

Wennen, veronderstelde ik. Want dat was nodig, als ex-straatkater en ex-asielkater. We speelden de spanningen uit zijn lichaam, we knuffelden, Bert liet me op zijn vacht huilen als ik mijn kater Tim weer zo miste en ik deed mijn best om maar één keer per dag het huis te verlaten, omdat hij dat beter vond.
Dus ik dacht, misschien komt hij ooit, na het wennen. Of nooit, omdat hij liever elders slaapt. Pas later begreep ik dat Bert een goede reden had om weg te blijven uit de slaapkamer.

Tim

Die reden was Tim. Mijn kleine rode kater was na zeker vijftien jaar samenzijn over de Regenboogbrug gegaan en diep van binnen accepteerde ik het niet. Ik wilde niet dat het was zoals het was, ook al had ik zelf de dierenarts gebeld voor het laatste bezoek en zelfs om spoed gevraagd, omdat Tim het zo moeilijk had.
Ze kwam en ging, en een tijdje erna had ik een witte tempeldoos met zijn urn in huis.
En nog steeds kon ik Tim niet loslaten, diep-diep van binnen.
Maanden later, zittend op de rand van het bed,  zag ik in een flits van een seconde Tim in het licht staan, weer stralend gezond, en toen begreep ik het pas: dat hij het nu goed had. Beter dan in zijn zieke lichaam. Dat was het moment waarop ik Tim kon loslaten.

Op bed

Binnen een week kwam Bert naar de slaapkamer, zo gemakkelijk alsof het vanzelf sprak. Ik lag in bed, hoorde zijn pootjes op de trap en zag zijn kop uitsteken boven de traptrede.
Hij keek.
“Kom maar, hoor,” zei ik.
Hij sprong op bed, rondkijkend van waar ga ik liggen.
Snel legde ik het tweede hoofdkussen op een hoek.
“Is dit wat?”
Bert ging liggen en sliep.
En ik voelde dat er iets was veranderd.

Bert en het denkspeelgoed (39)


Ergens op een website had ik gelezen dat de ouder worden katerman extra verzorging nodig had, naar lichaam en geest.

Dat van het lichaam begreep ik. In de keuken stond een uitgebreid assortiment eten, verschillend van smaak en structuur, want Bert moest als senior zijnde wel blijven eten, en hij kon nogal eens plotseling van smaak veranderen.
Ook had ik een voorraad Onsior, de pijnstiller vanwege de artrose.
Reserve-hapjes waren zeer ruim voldoende aanwezg, mijn keuken bood nauwelijks ruimte aan iets anders dan de voedselvoorziening gericht op de oudere katerman zijnde Bert.
Maar zorgen de geest?

Tot ik de berichten las, verkeerde ik in de veronderstelling dat een aanbod van speelgoed, goede gesprekken en gezellige knuffels voldoende was. Eens te meer, omdat Bert ook eigen hobby’s had ontwikkeld zoals scheuren met de krant en draden trekken uit een kluwen wol, toch bezigheden waar je bij moet nadenken.
Ik las dat de meeste mensen dat dachten, dat wat ze deden genoeg was, maar dat was het juist niet.
Daarom begon ik me te oriënteren op het fenomeen denkspeelgoed.

Het denkspeelgoed bestond, kort gezegd, uit ingewikkelde toestanden die een kater voor elkaar moest zien te krijgen met als beloning een snack of snoepje. Het deed me denken aan een attractie op de kermis, minus dan de herrie.
We begonnen dus eenvoudig.
Een doos uit de supermarkt die helemaal dicht kon. In het karton maakte ik grote en kleine openingen, ook zulke kleine waar hij niet met zijn poot in kon, die waren om te kijken. Strategie, dat was denken. Tactiek.
In de doos een snack.
“Kijk eens, Bert.”

Bert keek.
Eerst naar de doos.
Dan naar mij.

Ja, en daarmee was eigenlijk de hele situatie gewogen en te licht bevonden:
dacht ik nu werkelijk dat hij met zo’n rare doos ging spelen? (niet meer)

“Sorry Bert,” zei ik beduusd. De doos ging uit het zicht, naar de keuken. Het was hoog tijd voor een goedmaak-knuffel.
Het denkspeelgoed is het huis niet meer ingekomen.

Bert en de inhaal-knuffels (38)

Het leven dat ik met Bert had, was mijn ideale leven. Thuis blijven in de pyjama, temidden van de boeken, met een katerman aan mijn zijde.

Alleen

Maar soms moest ik weg.
Langer dan naar de sportschool of de supermarkt.
Ergens in den lande een lezing geven plus daarbijde reistijd van het openbaar vervoer, dat leidde al snel tot een halve dag of langer weg.
En dan was Bert alleen.

Inhalen

Alleen blijven kon Bert wel, op zijn voorwaarden tenminste. Uiteraard voorzien van eten en drinken, van informatie over waar ik heen ging, waarom en hoe laat ik terug dacht te zijn. Ook wilde hij dat ik maar één keer per dag het huis verliet, en dat deed ik, ook al leidde dat tot vier overladen boodschappentassen, dat ging ook eigenlijk best.
Maar als ik langer dan gewoonlijk weg was, stelde Bert de dag erna een aanvullende voorwaarde. Hij wilde inhaal-knuffels.
Dus naast de gewone knuffels van elke dag, wilde hij de knuffels van de vorige dag inhalen, omdat hij die door mijn afwezigheid had gemist. In die redenering zat wel enige logica, vond ik. Elke keer voldeed ik aan zijn wensen. Ik vind, je moet je verantwoordelijkheid dragen.

Naarmate Bert ouder werd, nam de hoeveelheid inhaalknuffels langzaam toe. Er kwam ook een deel compensatie-knuffel bij,, om het alleen-zijn goed te maken.
Dus eerst was er:

  •  het fijne knuffelen van hoera ze is weer thuis
  •  dan de voortgang van het dagelijkse
  •  het inhalen
  •  de compensatie

Naar de kern

Later, toen Bert nog wat ouder werd, veranderde de aard van de knuffels. Erbij-liggen op het krukje was ook fijn. Of bij elkaar liggen op het matje, en dan luisteren naar elkaars ademhaling, en weten, we zijn samen. Hoe ouder hij werd, hoe kleiner de knuffels werden, net of we de kern ervan hadden bereikt. Niet meer het wilde kroelen en rollen, niet meer de kriebels achter zijn oor, niet meer het vachthappen op zijn buik, maar het samen liggen en in alles weten, jij bent bij mij zoals ik bij jou ben.

Toen Bert de wiew ontdekte (37)

Bert was nog net niet of net wel een jaar bij me, toen er een gevaarlijke ontwikkeling ontstond. Het groene spul kwam in zijn en daarmee in ons leven.

In die tijd zaten we net in een nieuwe fase. Het grote wennen was gedaan, Bert voelde zich rustiger en hoefde niet meer zes keer per dag te spelen. Maar angstklachten waren er nog steeds. Dus ik dacht aan iets dat moeder natuur ons bood en dat was catnip. Online werd van alles aangeboden, steeds met de waarschuwing dat de ene kat er anders op reageerde dan de andere kat. Het kon ook niks doen.

Wiew

In een kwaliteitswinkel te Amsterdam kocht ik iets dat omschreven werd als stinkzakjes. Ik vond het best lekker ruiken, maar daar ging het niet om.
“Bert, kijk eens?”
Ik legde de zakjes op het tapijt.
De video ging op Facebook en vrienden met meer ervaring wisten hoe het heette wat hier gebeurde: dit was nu wiewen.
Dat je in je kop zweeft en je helemaal goed voelt en alles is raar en juist fijnn. Wiewen. Zeg het met een lange ie en het is meteen duidelijk.
Een betere reclame was er natuurlijk niet, en de video kwam ook op de website van de kwaliteitswinkel. Ik hoop dat er veel poezen en katers gelukkig door werden.

Meer

Toen ik Bert eenmaal zo ontspannen zag, wilde ik dat meer en vaker zien. Ik ontdekte de gele banaan waar hij op dag 1 gek en vrolijk van werd en op dag 2 niet naar omkeek, om de banaan op dag 7 te herontdekken.
Hij kreeg verse wiew, en dat was stevig spul. Erin rollen en stil liggen en ik zag hoe hij helemaal van de wereld was.
Er kwamen cadeautjes, ook met wiew.
Alles was superduperfijn tot het van de ene seconde op de andere gewoon was en dan weer fijn, ik nam maar aan dat het bij wiewen hoorde.

(tekst gaat verder onder video)

 

Zelf rook ik ook aan nieuwe wiew. Maar ik had er nooit het effect van dat Bert onderging, al was dat altijd onvoorspelbaar en soms ook weer niks, dan liep hij door het groene spul naar de vensterbank, net of het er niet lag.
Dit alles behoorde tot het mysterie van de wiewende kater.

Bert en het tongslingeren (36)

Een hond is een hond en een kat is een kat en daarom leek het me uitgesloten dat Bert, honderd procent katerman, ooit een kunstje zou doen.

Ik vroeg er toch soms om, dan wilde ik een pootje. Zachtjes tikte ik dan tegen zijn voorpoot en vroeg: “Bert, pootje?”
Bij wijze van antwoord keek hij me zwijgend aan, vol waardigheid en ook ietwat ontstemd.
Gezien zijn houding verwachtte ik geen enkel kunstje, never nooit niet meer. En toch kwam het, na drie jaar samenwonen waarin we ons alletwee hadden toegelegd op elke dag zoveel mogelijk laten lijken op de andere dag.
En toen dat.

Bert deed een kunstje en dat heette tongslingeren.
Ik wist niet eens dat het bestond.
Tongslingeren, wie doet zoiets nou?

Misschien begon het ermee dat zijn tong ietwat uitstak op en foto. Dat vond ik nog lief. Zo’n klein rose stukje commentaar op iets, en dat van een groot formaat katerman.
Bert zal daarover hebben nagedacht als zijnde een kans. Die nam hij.

Op een dag zag ik hem in de huiskamer zittend, intens kijkend, geconcentreerd.
“Is er iets?”vroeg ik.
“Bert?”

En toen kwam het: een lange tong die van de ene kant naar de andere slingerde, die vooruit gegooid werd en weer teruggetrokken werd om te verdwijnen achter zijn katermantanden.
Ik keek. Hij ook.
De keer erna maakte ik een foto en al snel had ik de camera onder handbereik in de hoop dat hij weer dit kunstje zou doen. Soms lukte het. Al zijn vrienden op Facebook waren enthousiast en ze gingen het ook proberen. Er kwam een fotowedstrijd Tong Uit Je Bek, en ik weet niet meer wie die won. Het was manisch. En ik kon het niet, wat ik op de badkamer had ontdekt. Als mens wil je toch meedoen.

Zo plotseling als het tongslingeren was begonnen zo plotseling hield het ook weer op. Waarom, heb ik nooit begrepen.