
Miauw lieve lezers, we hebben weer een week met wat toestanden achter de poot. Niet purr se het soort avonturen waar we wat van begrijpen of over willen miauwen, dus we zijn aan het bedenken wat we nu kunnen furtellen. Door alle tumult in het gebouw de afgelopen dagen hebben we een kleine pootschrijversblock. Zullen we vandaag dan wat meer furtellen over onze karakters en hoe we van elkaar furschillen? We beginnen maar gewoon bij de zondagochtend.
PIEPje
Het is dus zondagochtend en ik til mijn koppie op bij het wakker worden, mijn snorharen nog een beetje gekreukt maar klaar voor de dag. Naast me hoor ik geritsel van de lakens, onze mensenbroer is zo te horen ook wakker. Mooi zo, want ik kijk op de klok en geef een
miauw. Het is namelijk al lang 5 uur ‘s ochtends geweest en dat betekent etenstijd. Even richt ik mijn blik op Frou Frou maar die trekt zich niet zoveel aan van de klok. Wel van onze mensenbroer met zijn geritsel. Op de één of andere manier vindt ze dat veel interessanter dan een bakje vol krakend verse brokjes. Zoals bij bijna elk geluidje wat ons mens maakt, gaat haar koppie wel even over de rand van het mandje, purraat om bij hem op de grote mand te springen. Maar omdat hij de lakens weer mompelend over zijn hoofd trekt, over iets met ‘te vroeg’, bedenkt mijn zusje zich, geeft een goedkeurend PIEPje en begint eerst rustig met een wasbeurtje.
Wasbeurt
Frou Frou: “Zo begin ik mijn dag het aller liefste en de volgorde maakt me niet zo veel uit. Als onze mensenbroer nog half in dromenland is komt de wasbeurt eerst, en als hij al een keer overeind is gekomen kom ik er net op tijd bij in de grote mensenmand voor warme ochtendknuffels. Hoe het brokje ook kruimelt, het moet allebei gebeuren vinden, jullie ook niet? Als de mooie en furzorgde poezendame die ik ben, maak ik er een heel werkje van als ik mezelf was. Eerst lik ik mijn linkerpootje nat om furvolgens op mijn gemak achter mijn oren te wassen. Dan volgt de rechterpoot en daarna ga ik half rechtop zitten om mijn witte buikje nog witter te maken door haartje voor haartje mijn vacht schoon te poetsen. Op die manier begin ik heel relaxed aan de dag, met geen vachthaar furkeerd. En als onze mensenbroer al lang purraat is, draai ik het gewoon om en kom ik hem eerst helpen met zijn wasbeurt.”
Honger
Jajim: “Terwijl Frou Frou bezig is met haar ochtendroutine sta ik toch echt te trappelen om brokjes. Verse brokjes, want die van vannacht smaken me niet meer hoor. Onrustig loop ik heen en weer tussen voerbakje en mensenbroer en hij steekt een hand onder de lakens vandaan in een poging mijn staart een aai te geven. Maar omdat ik méér snak naar ontbijt, reageer ik afkeurend en maak een schijnbeweging naar zijn hand om duidelijk te maken hoevéél honger ik heb gekregen van die veel te lange nacht. Even moet ik me inhouden om geen hapje uit zijn hand te nemen maar ik doe het niet, ik weet wel beter. De hand die je voert, moet je te vriend houden, heb ik ooit eens van Willem furnomen.”
Donder
Jajim: “De laatste tijd gaat het, en terecht, veel over het weer. Waar het eerst opeens weer herfst was, werd het zomaar plotseling zomer met keiheet weer. Dat was even wennen maar die zon in mijn vacht voelt supurrr lekker warm en vredig, veel beter dan die dikke regendruppels die nu uit de hemel vallen. Geen haar op mijn kop die eraan denkt om nu een poot buiten de balkondeur te zetten hoor. Onze mensenbroer zegt trouwens dat mijn humeur net zo furranderlijk is als het weer. Ergens heeft ‘ie daar wel een punt, zonder een vers vleesje is het nou eenmaal moeilijker om te bedenken of ik een knuffelsessie nodig heb of toch liever wil spelen met de muis. Net zoals boven in de lucht, gaat het soms bij mij ook wel eens donderen, maar dan in mijn koppie. En daarna gaat de zon ook altijd weer schijnen, zo gaat dat bij mij.”
Zacht
Frou Frou: “En dat is nou het leuke van een duokat-huishouden. We zijn allebei poezendames en toch heel furschillend. Waar Jajim met haar hele lijf duidelijk kan maken hoe de staart staat, ken ik dat wispelturige, zoals onze mensenbroer dat noemt, niet. Voor mij mogen er altijd wel knuffels zijn, dag en nacht! Hoe meer hoe beter. Mijn staart staat altijd goed en er zijn maar een paar aaitjes voor nodig voor ik ‘PRRRR’ zeg. De enige keer dat ik ooit purr ongeluk uitschoot met mijn nagels, was toen onze mensenbroer weer eens in zijn hoofd had gehaald om te oefenen met optillen. Daar ben ik als angst-katje net iets te angstig voor, met vier pootjes aan de vloer voelt alles toch een stuk veiliger. Daar zijn de meeste furriendjes het vast miauwend over eens, toch? Na het krabben kreeg hij een heleboel kopjes hoor, dat met die nagels ging hartstikke purr ongeluk. Dat komt vanwege dat er heel veel liefde en zachtheid in mij zit, dat is gewoon mijn karakter.”
Nou zijn wij benieuwd hoe jullie karakter is en of de staart wel eens op onweer staat of dat het altijd knuffeltijd is?
Zachte kopjes,
Jajim en Frou Frou
Hallo lieve katermannen en kattenpoezen,
Roover miauwde: nee, niet Truus. Die geeft altijd light brokjes waar helemaal geen smaak aan zit. We moeten een plan maken, Bliksem. We moeten voorkomen dat ze weggaan.
lekkere snoepjes van krijgt.
Dag liefe frientjes,
Heet
zich te pletter en hup ging het visje onder water.
De blog stond de afgelopen tijd al vol over de natuurelementen. Eerst de kou, de nattigheid en de warme platen die aan gingen, terwijl het volgens de kalender toch al lente zou moeten zijn.
Onder de hortensia’s, waar de kauwen me niet kunnen zien, vind ik een kattastische schaduwplek. De aarde voelt weldadig koel tegen mijn buik. Hier hou ik het wel een poosje uit.
De dagen erna blijven tropisch. Onder de struiken voor de deur is heerlijk toeven. Boven me hoor ik vogeltjes gezellig tsjilpen. Iets verderop liggen Stekels opgerold te ronken tussen knisperige blaadjes. In het perkje zoemen de bijen. Ze doen zich te goed aan de nectar van goudgele paardenbloemen en koolzaad, sneeuwwitte madeliefjes met donzige hartjes, paarse dovenetel en blauwe boshyacinten. De kleine kauwen lachen me uit nu ze vliegvlug zijn. Het leven is goed. Tot een busje met gierende banden stopt. Vijf oranje hesjes springen eruit. Met herriemakende machines maken ze een einde aan het net nog zo vredige tafereel, waar alles in harmonie was. Na twee uur grof geweld daalt een troosteloze stilte neer.
Eigenlijk hoef ik het niet eens te schrijfen omdat iedereen het wel heeft gemerkt, maar zooo heee wat was het troopies ineens!, ik smolt weg in mijn tuin en in mijn huis, zo troopies was het, en ik fond het fantasties, van mij mag het wel altijd zo blijfen, het kan mij niet troopies genoeg zijn.
Maar ik snapte meteen dat ik niet in de felle zon moest gaan liggen, ik kroop onder de planten en lag op de koele aarde, ik dronk veel meer waater dan ik anders doe, ik deed rustig aan, Net als altijd roept mijn vrouw, nau ja!!, en ik wachtte tot de zon weg was foordat ik op mijn stoelen en in mijn gras ging liggen, het was net alsof ik het altijd al zo had gedaan.
Mijn vrouw tilde me op en zette me bofenop het witte ding, en mijn mensen riepen allebei dat het niet te geloofen was, mijn man zei “Is er niet iets met hem aan de hand?, waarop mijn vrouw antwoordde dat het kwam doordat ik zo weinig at met het warme weer, en dat ze erg streng was geweest.