Naar de dokter gaan met Bert was altijd een zwre gang, zowel voor hem als voor mij. Hij wilde er niet heen, hij vond in de taxi reizen naar en ik vreesde altijd het ergste.
Maar soms moest het toch.
Signaal
Bert was al een paar dagen te lang vreemd hangerig toen ik het ‘even aanzien’ niet meer uithield. Hij at te weinig, hij dronk te veel, hij keek zo raar naar me, er was iets mis. Toen hij zich terugtrok achter de kastjes in de huiskamer, hield ik het niet meer. Dat was altijd het alarm-signaal voor me.
“We gaan Bert,” zei ik en we gingen.
Op de rit
De dokter nam bloed af en Bert en ik moesten in de wachtkamer de uitslag afwachten. Het goede nieuws stelde me meteen gerust: geen nierziekte. Dat had Tim gehad, de kater voor Bert. En Bert was nu ook 13 jaar, net als Tim bij die diagnose.
Dus ik keek blij, de dokter nog niet.
“Hij heeft een lichte alvleesklierontsteking,” zei ze. En ze zei ook iets over hoge cijfers zus en zo en beginnende suikerziekte.
Dat was foute boel, wist ik meteen, en ik zag meteen een lijdensweg voor me, kort of lang, alles even ellendig.
“We kunnen hem weer op de rit krijgen,” hoorde ik nog. Die uitdrukking bleef me lang bij. In de taxi vroeg ik aan Bert of hij het snapte. Ook niet. Evenmin als ik.
Maar er was plan van aanpak en dat werkte:
- Cerenia tegen de misselijkheid
- Onsior tegen de pijn
- Licht en voedzaam eten
- Extra aaien voor de geruststelling
Ik kocht overal pakjes en zakjes en blikjes, alles waarvan ik dacht dat lust hij. Nieuwe brokjes. Extra hapjes. De cerenia vijzelde ik fijn en serveerde ik vermengd met Gourmet kip op mijn mooiste servies.
Maar in de keuken had ik een noodplan klaargelegd. Per dag wist ik welke dierenarts dienst had en ook tot hoe laat en ik had contant geld voor de taxi’s klaarliggen; ingeval van stress vergeet ik de pincode nogal eens.
Ik moest van mezelf extra gaan wandelen om kalm te worden en te blijven.
In deze situatie bleek weer eens het geweldige karakter van de kater in kwestie. Hij nam het zoals het was. De hapjes at hij. De nieuwe brokjes ook. Dat er minder snacks kwamen, was even wennen en daarna weer het nieuwe gewoon.
Bij het volgende bloedonderzoek bleken de suikerwaardes gedaald. En die alvleesklier was iets chronisch, dus Bert moest blijvend licht verteerbaar eten, wat Onsior en Cerenia op voorraad was een goed idee. Van de weeromstuit ging ik hamsteren zodat we weken, ofwel maanden, vooruit zouden kunnen en dat konden we al snel.
De blik
Eerlijkheidshalve moet ik hier noteren dat ik dit alles graag met Bert wilde bespreken, maar dat ging niet. In de jaren van samenzijn had hij een speciale blik ontwikkeld voor gesprekken die hem niet aanstonden, dat was de blik van “Nee hè, niet dat.”
Dus zo leerde ik weer iets over de situatie nemen zoals het was, zelfs al stormde het van binnen want dat deed het, ook al was Bert inderdaad weer op de rit.
Lieve allemaal, wat is het zo heel koud buiten. Pas was ik buiten omdat ik dacht dat het lente zou zijn wegens dat de zon er al een paar keer was, maar ik had het zo heel erg mis.
hoor de stem van mijn vrouw. Ze was eefe op bezoek gekomen. Ik gaapte eefe en was aan het bedenken of ik wel naar beneden zou gaan ja of nee. Soms komt mijn vrouw ook gewoon boven bij ooma’s bed om mij te knuffelen en te kriebelen. Maar omdat ik altijd sneks en knuffels wil ben ik naar beneden gegaan.
dat de handen er waren. Die moest ze eerst maar opwarmen.
Eigenlijk ben ik nooit ziek en vrouw zegt gelukkig maar.
Ik liet alles gewillig toe, het was echt niet erg hoor. En de dokter was zooo lief tegen mij en zei dat ik een prachtig mooie kater ben.
Weken heb ik er naar uit gekeken en deze keer wordt mijn lange wachten beloond. Het is een kwestie van wie het meeste geduld heeft. Zelfs met alle happen uit mijn jas hou ik het met mijn dikke bontkraag uren vol in de kou. Als ik wat in elkaar duik en me opvouw tot een kleine wolbaal blijf ik lekker warm. Een beetje dutten mag, zolang de oren maar gespitst blijven en de blik gericht op het gat in de grond. Bij het minste geluid ben ik gelijk paraat. Verder zorg ik ervoor dat de wind m’n snorharen naar achteren strijkt en dat ik als een standbeeld blijf zitten. Het meest lastige is het juiste moment te vinden van toeslaan. Niet te vroeg èn zeker niet te laat. Dat is een kwestie van ervaring. Hoe ouder ik word des te beter ik dit fingerspitzengefühl in de poten krijg. Deze kattiek heeft me al genoeg lekkers opgeleverd. Zo ook nu.
Zonder verdere discussie open ik mijn kaken en zet ze in een soepele beweging over hem heen. Het muisje is zo klein dat hij precies in mijn bek past. Het voelt warm en zacht. Over mijn tong voel ik ragfijne nageltjes kriebelen. Alleen het staartje bungelt tussen mijn lippen. Ik onderdruk de neiging om hem hier ter plekke te verorberen. Dat doe ik liever zonder kapers op de kust. Thuis liggen ze met een beetje mazzel in katzwijm.
Pas als iedereen in dromenland is, kom ik terug. Door een zware grom diep vanuit mijn keel schrikt Mo wakker. Op het moment dat ze de lamp naast het bed aanknipt, bijt ik mijn kaken stevig op elkaar.
Deze week leek het zomaar ineens lente in mijn tuin, het foelde nog wel een beetje fris maar als de zon schijnt ziet alles er meteen helemaal anders uit, door de zon lijkt het alsof er veel meer kleuren zijn, en ook al is het in de nacht nog aan het friezen, ik kan de lente al ruiken!
Fandaag, nau ik mijn letters maak, is het ineens weer kauder, maar ik weet dat de lente niet meer zo heel fer weg is, de winter is bijna foorbij, en ik ferheug me op alle zon die gaat komen, op de daagen die steeds langer worden, en op de tijd dat ik in mijn gras kan liggen en over mijn furkering Milamuisje kan dromen, en tussendoor doe ik dan pieren met Pokon, ik zie het helemaal zitten, en als jullie, mijn vrienden, mee willen pieren en klieren zijn jullie altijd welkom!!