Alle berichten van mevrouw Bert

Bert en de vachtverzorging (25)

Vooral op zijn buik had Bert een wollige deken van vacht, waar ik na een jarenlang verbod tot aanraken toch aan mocht komen. Heerlijk. Dat zachte. Ik aaide, ik friemelde, ik hapte er zachtjes in en Bert lag dan tevreden te knorren. Elke avond lagen we zo op het matje. Hij erop, ik ervoor, tegen hem aan, de lampen uit, in de schemering van de lantaarnpaal voor het huis.

Artrose

Als vanzelf friemelde ik na de buik verder door zijn vacht. Zo kwam ik op het bijna-verboden gebied van zijn heupen en onderrug, waar de artrose was gekomen. Niet uitzonderlijk voor een senior-kater, wel ongemakkelijk. Hij nam elke avond een pilletje Onsior tegen de pijn, maar gevoelig bleef het toch. Daarom mocht ik alleen heel zachtjes aaien, kort ook nog. Meer of langer vond Bert te moeilijk, dan spande hij zijn lichaam aan, ging heel stil liggen en dan wist ik genoeg.

En toch was door dat even-maar-aaien, dat ik op een dag een paar harde stukjes voelde. Ik keek en zag klitten. Eraan wrijven maakte ze niet los, en Bert keek ook meteen op met een alerte blik van wat-nou, wat-nou.
“Niks aan de hand Bert,” zei ik.
Hij ging weer liggen. Ik aaide zachtjes verder en wist dat er iets moest gebeuren.

Trimmen

Een oudere katerman met artrose kan niet altijd meer zijn hele vacht verzorgen, dat snapte ik. Maar klitten hebben de neiging tot groeien. Dat begreep ik ook, vooral na het bestuderen van websites van trimsalons.
Daar konden we niet heen. De een was in huis bij de dierenarts, wat me een angstig bezoek leek te worden. De ander verbood mijn aanwezigheid bij de behandeling. Een derde kwam aan huis en bracht dan een grote tafel mee, dat leek me ook een te groot avontuur.
Het kwam dus op mij aan.
En op Bert, wat hij wel of niet goed zou vinden.

De eerste avond friemelde ik wat langer aan de klitten. Na de eerste verstoorde blik hield ik op, om even later verder te gaan. Soms stond Bert op van het matje en liep van me weg, wel met een verwijtende blik. “Toe nou Bert,” en weer terug,
Het resultaat van een avond: anderhalf vachthaartje los, een kater die liever niet meer geaaid wilde worden wegens wantrouwen.

Barstje

Daarna kocht ik borstels en kammen, er was een enorm aanbod, en alles beloofde snel en gemakkelijk, en katten begonnen zelfs te spinnen, zo heerlijk vonden ze het.
Ja, dat kan.
Bert wilde het niet. Niks, niks, niks.
De klitten groeiden door.
De artrose werd er ook niet minder op.

Toen kwam de avond dat Bert aarzelde om met mij op zijn matje te gaan liggen. Ik zag hem denken: straks begint ze weer.
Een barstje in het samenzijn.

Een paar dagen later kwam de dokter, en Bert wist meteen er is iets. Helemaal toen ik hem optilde. Enkele seconden later zette ik hem weer neer. De klitten waren weg, met een supersnelle tondeuse, hoe ze het deed weet ik tot op de dag van vandaag niet.
Bert was boos.
Ik opgelucht.

Vrede

Die avond liet ik hem eerst mijn handen zien voordat ik bij hem kwam liggen. ”Kijk maar, leeg, ik kom alleen aaien.”
Het mocht, samenliggen, maar ik voelde wel een spanning in zijn lichaam, een spanning die dagen nodig had om te verdwijnen.
Alles was toen weer zoals het was, behalve dat Bert en ik wisten, we hebben iets moeilijks meegemaakt en gelukkig kunnen we weer elke avond knuffels doen. De huiselijke vrede was hersteld.

Bert gaat aan de sportbrokken (24)

Bert was gelukkig als hij lekker te eten had en ik was gelukkig als Bert lekker at, en als een logisch gevolg van deze gevoelsdynamiek kocht ik het ene lekker hapje na het andere.
De prijs vormde  nooit een bezwaar, als ik aan zijn tevreden smakken dacht.
Elke maaltijd en iedere snack serveerde ik op mooi servies, niet omdat Bert daaraan hechtte, maar om mijn geluk over de etende katerman te verdiepen.

Servies

-Lekker, Bert?
Dan keek hij op van het antieke Royal Doulton, zijn vacht mooi kleurend bij het gouden randje van het bord.
Of het breekbare Limoges, Frankrijk, waarop ik dan visfilets van de fijnste soort aanbood.
Bert maakte het geen klap uit.
Lekker was lekker.

Brokken

Het was heerlijk zo lang het duurde en het duurde tot het moment kwam, waarop zijn dokter zei: “Hij is te dik.”
Hoe dat kon, begreep ik wel.
Ook dat het roer om moest. Want overgewicht kon kwalijke gevolgen hebben, alleen al het noemen van diabetes maakte dat ik gemotiveerd was voor een nieuw traject.
Bert en ik gingen naar huis met een grote zak Metabolic brokjes en een doos zakjes. Er was maar één smaak. Ik moest de brokjes afwegen, want ook hiervan kon te veel inderdaad te veel zijn.

Vanuit de keuken serveerde ik de brokjes om mijn mooiste servies.
“Kijk Bert,” deed ik blij, “sportbrokken. Dat is voor bij het trainen.” Hij moest immers ook meer aan beweging gaan doen, was gezegd. De kater keek, rook aan de nieuwe geur en at, alsof hij nooit iets anders had gegeten. Rustig. Daarna deed hij een dutje. Spelen kwam wel.
Hij nam, zoals wel vaker, de dingen zoals ze waren en niet zoals hij misschien wilde dat ze waren. Het deed me terugdenken aan mijn tijd bij de Weight Watchers; de wekelijkse zaal vol mensen die vooral dachten aan wat ze niet mochten eten. Zo was ik ook geweest, toen.

Op gewicht

Na enige maanden kwam het controlebezoek bij de dokter. Bert was afgevallen. Geleidelijk slopen de snacks weer in het dagelijks leven, al bleef ik wel de sportbrokken af en toe erbij serveren. Want het was mijn verantwoordelijkheid om goed om te letten en ik had mijn les geleerd. Hij hoefde niet te eten voor mijn geluk. Dat zat alles welbeschouwd veel meer in zijn gezonde gewicht, en misschien ook een beetje in mooi servies.

Zo stelde Bert een grens (23)

Nog in het asiel, kijkend naar de grote kater die Bert was, stelde ik uit zelfbehoud de vraag: ‘Maar wat doet hij als hij iets echt niet wil?’

Die vraag kwam natuurlijk door mijn ervaringen met de kleine rode kater Tim. Hij was op zijn tweede jaar bij me komen wonen, een kater met een trauma door een moeilijke achtergrond. Daar was ik me wel van bewust geweest. De kater voor hem, Amore, had me zoveel liefde gegeven dat ik in het asiel zijnde om de moeilijkste poes had gevraagd. Voor de balans. Dus zo kwam Tim er. Hij stelde zijn grenzen door te bijten en uit te halen. Door de jaren heen was dat minder geworden, maar zulke ervaringen maken je alert. Daarom die vraag.

Blazen

“Blazen.” Bert blies dan van niet-doen en wil-ik-niet.
Ik kon me er geen voorstelling van maken. Dus ik vroeg wat ik dan moest doen.
“Niet serieus nemen.”
Een merkwaardige handleiding, leek me.
Tot ik die instructie nodig had.

“HSSSS!”

Het gebeurde toen Bert rustig in de vensterbank zat en de straat bestudeerde. Wat er gebeurde. Of het naar wens verliep. Waar hij nog even op moest letten.
Waar het vandaan kwam, is me onduidelijk tot op de dag van vandaag, maar ik meende leuk te kunnen zijn en stak plotseling mijn hoofd om de hoek van het gordijn.
“HSSSS!” deed Bert.
Meteen stak ik mijn hoofd terug en zei beteuterd: “Sorry hoor Bert.” We moesten alletwee even bijkomen van de gebeurtenis.

Het blazen kwam nog één andere keer voor. Dat was toen Bert en ik muis-onder-de-lap aan het spelen waren, dat is met kijken, spanning opbouwen, springen en rollen, een all round spel waar je flink moe van kunt worden. Bert was er goed in. Zijn concentratie op de muis ergens onder die lap was fenomenaal. Het sleepte me mee.
Van de weeromstuit wilde ik nog meer meespelen dan ik al deed. Terwil ik op handen en knieën zat, produceerde ik een kleine grom.
Dat was meteen foute boel. Bert keek alert op: “HSSS!”
Weer zei ik: “Sorry Bert.”

Daarna is het blazen niet meer voorgekomen.

Zachtmoedig

Blazen is een zachtmoedige manier om nee te zeggen, besefte ik achteraf. Op het moment zelf was het schrikken en inderdaad, dat was precies de bedoeling. Ik nam het serieus omdat het ook serieus was. Een katerman mag zijn grenzen stellen, en een ieder doet het op een eigen manier, maar hoe het ook gebeurt, de mens heeft zich ernaar te voegen.

Een kater met stramme pootjes (22)

Bert was in de kracht van zijn leven, nog maar iets ouder dan tien jaar, toen me begon op te vallen dat hij wat veranderde. Als het regende, lag hij lang in zijn mand, en was er met vleien en knuffels niet uit te krijgen.

Ook zag ik dat het traplopen anders was. Zijn gewone springerigheid die hem altijd op een hertje deed lijken, had plaats gemaakt voor een bedachtzame manier van trede voor trede afgaan. Soms keek hij me moeilijk aan.
Ik herkende het. Artrose. Precies wat mijn vorige kater Tim ook gehad had. En dan is het tijd voor pijnstillers. Bij de dierenarts kocht ik Onsior, naar ik las het minst belastend voor de nieren, en ’s avonds vijzelde ik een pil fijn, verborg het in een hapje en serveerde het als feestmaaltijd. Hij at knapte op. Meteen vond ik dat de artrose nu eigenlijk niet meer bestond.
Toch kwam het terug.
Bert liep strammer.

De eerste avond dat hij het avondhapje met Onsior niet lustte, presenteerde ik het van mijn vingers. Lauw, langzaam, liefe woordjes, het ging. De tweede avond dat hij wegkeek van het schoteltje, had ik een voorraad blikjes en hapjes opgebouwd zodat ik aantrekkelijke smaken kon aanbieden.

Bert nam de artrose op als een feit des levens.
Regende het, dan sliep hij.
Langzaam op de trap was ook op de trap.
Kon hij moeilijk eten, dan at hij gewoon wat minder.

En ik stelde het leven samen bij. Meer aaien, voor de gelukshormonen en tegen de pijn. Oorzalf in huis ingeval hij echt te weinig at. Andere brokjes voor de mobliteit. We probeerden Solensia, het wondermiddel dat per injectie een maand pijnvrij zou brengen, maar Bert ging er dusdanig raar van uit zijn ogen kijken, dat ik wist: dit niet meer. CB-olie lustte hij niet.

Het moeilijke van artrose was voor Bert het ongemak en voor mij het weten dat ik dit niet van hem kon wegnemen. Alleen verzachten. Dat deed ik dan ook. Kussens, dekens, mandjes, de huiskamer werd een halve ziekenboog. In mezelf had ik verdriet dat Bert niet meer ’s morgens over de trap rende naar de slaapkamer, ik had zijn pootjes zo gezellig horen roffelen altijd, dat geluid waardoor ik wist dadelijk zie ik zijn kop, nog even en ik kan hem weer aaien en hij mij. Dat was voorgoed voorbij, ook al wilde ik het niet, ik wilde het vasthouden, dat hele gezellige van ons samen.

Maar nu wist ik, hij is beneden, wegens zijn stramme pootjes, dus nu hoort hij mij over de trap komen en hij weet, dadelijk komt de knuffel, dan is ze er weer.

Zo deden we het dan maar, ons samen concentreren op wat er allemaal wel kon, en dat was best veel, en het was ook best goed, al moest het nu allemaal op een andere manier.

Bert wilde niet aan de brokjesbal (21)

Van alle katten die ik heb gekend en ken, was Bert zonder meer degene die het meest afkeurend naar me kon kijken.
Daar was geen miauw bij nodig.
Hij keek en ik wist meteen: verkeerd.
Helemaal omdat hij zo’n zachtmoedige jongen leek, met een dikke vacht, en dan van knuffels houden, dan leek het soms of hij vanzelf alles goed vond wat ik deed.

In de tijd dat Bert van volslank doorgroeide naar vooral vol, kwam ik op het idee een brokjesbal te kopen. Dan moest hij ermee bewegen zodat er brokjes uitkwamen en dan zou hij afvallen. Hierbij maakte ik twee denkfouten:

  1.  de brokjesbal introduceerde ik naast zijn gewone brokjes
  2. In de brokjesbal deed ik extra lekkere brokjes

Kortom, Bertje at en at en at en afvallen deed hij niet.

(tekst gaat door onder de video)

Ik dacht aan obese katers, aan suikerziekte, aan de dierenarts en wist, er moet iets veranderen.
Toen ik dit begreep, veranderde de aanpak. De brokjes weg, gewone brokjes in de bal en “Kijk eens Bertje.”
Hij keek, en keurde de gang van zaken volledig af. Ik schudde met de bal, in de hoop enthousiasme op te wekken. Dat mislukte. Bert zat op het tapijt en keek me misprijzend aan.

Na een goed gesprek, bestaande uit veel smeken van mijn kant en afkeurend kijken van zijn kant,  vonden we een compromis:

  •  brokjes altijd aanwezig
  • in de ochtend schudde ik brokjes uit de bal en Bert at ze dan op
  • ook zo in de avond, als Bert te kennen gaf dat hij zoiets nu leuk zou vinden, het was tenslotte ook entertainment, dan zag hij me schudden met de bal en ernaar wijzen
  • de brokjesbal mocht gewoon in de kamer blijven liggen

Het leek me een redelijke uitkomst. Een heel enkele keer zag ik hem nog met zijn poot ertegen tikken, misschien meer uit gewoonte dan uit overtuiging. Het belangrijkste doel was behaald, de vrede in huis was hersteld. Misschien kon hij op een andere manier ook wat afvallen, hoopte ik.

En nu heeft Ollie diezelfde brokjesbal, dus de bal die nog van Bert is geweest. Ollie snapt het systeem en hij heeft er altijd goede brokjes in. Een erfstuk van Bert, het is een mooi  iets. Als ik aan mijn tafel zit en het rollen van de bal hoor, voel ik Bert en aan Ollie tegelijkertijd in mijn hart. Een vreemde ervaring, maar wel fijn, geloof ik.