Bert en ik moesten wennen aan elkaar, en ook dat de een soms iets wilde wat de ander niet uitkwam en andersom. Zo wilde Bert graag ’s nachts knuffelen en ik slapen, en overdag wilde ik graag aan mijn werktafel zitten en dan wilde Bert juist liever spelen. Ik gaf het meeste toe, wat zijn wensenpakket meteen groter maakte.
Wennen
Geleidelijk ontwikkelde zich iets van balans.
Bert ontdekte dat hij ook alleen kon spelen, vooral met een muis die alle kanten op sprong als hij ertegen sloeg. Aan de krabpaal hangen vond hij ook leuk.
Ik leerde dat even wakker worden om half vier ’s nachts helemaal niet zo erg is als er een katehoofd zachtjes Miauw? vraagt, gewenning deed veel en daarna sliep ik weer door.
Wat me opviel, wat dat we konden overleggen.
In de eerste tijd van het samen wonen werkte ik aan mijn boek over Tim, de kater die voor Bert bij me woonde en dat bracht me vaak in tranen. Dat had ook met schuldgevoel te maken, want ik was niet in staat geweest Tim in leven te houden, dat gevoel bleef buiten de logica van zijn acute nierinstorting en echt niets tegen te doen, de dierenarts had het nog zo gezegd.
Ik huilde bij voorkeur buitenshuis, dat leek me eerlijker tegenover Bert. Maar ik had thuiskomend behoefte aan troost. Dat vroeg ik aan Bert en dan liet hij zich langer aaien.
“Bertje, kom je bij me? Ik verlang zo naar wat liefde van jou.”
Hij kwam en gaf zelfs kopjes.
Zelfvertrouwen
Geleidelijk durfde Bert meer. Hij werd emotioneel zelfstandiger, misschien ook omdat hij altijd won van het lintje: BAM, poot erop. En muis-onder-de-lap kon hij ook goed. Hij rende ook door het huis tussen de sessies door.
Maar ik zag ook nog steeds die onzekere kater. Hij durfde het meeste als ik erbij was, of wanneer ik zei dat het echt helemaal in orde was, en dat hij het uitstekend deed allemaal. Die bevestiging was nodig. Zijn batterijtje zelfvertrouwen was nauwelijks gevuld en snel leeg. Moest ik overdag weg, dan werd het inhalen met spelen en bemoediging.
Hij vond het moeilijk als ik twee keer achter elkaar het huis uit ging, dus dat deed ik niet meer. Ik kocht twee grote boodschappentassen en sjouwde wat meer.
Ik voelde me beschermend over hem. Hij ook over mij. Moest ik ’s nachts huilen om Tim, dan kwam hij even naar mijn gezicht kijken, en zich aanbieden voor een knuffel. ’s Morgens stonden we dan voor de trap naar de huiskamer samen te aarzelen:
“Wil jij eerst?:
“Dan ga ik hoor.”
“Goed, ga jij maar eerst.”
Beneden weer aaien. Bemoediging, dat hij er echt mocht zijn zoals hij was.
Teevee
In 2017 verscheen het boek waaraan ik werkte. Van Tim naar Bertje trok de aandacht. Er kwamen interviews, op de boekpresentatie verschenen veel huilende vrouwen, diep in de rouw en het televisieprogramma Hart van Nederland meldde zich.
Dat leek me wel wat, alleen: ze wilden Bert filmen. In huis. Het betekende een cameraman over de vloer met alle technische toestanden van dien. Van al die toestanden werd ik plaatsvervangend bang. Een vreemde man, hoe moest dat. Maar ja, het boek. Tim. En Bert had het al aangekondigd op zijn Facebookpagina.
De cameraman kreeg instructies van zacht praten en voorzichtig bewegen en ik nam de gok.
En toen kwam de verrassing. Bert ontpopte zich als een filmster.
De cameraman wilde dat Bert op hem af liep.
Bert wandelde ontspannen.
Bert liet zich aaien.
Bert deed een close up.
Bert poseerde met de cameraman.
Bert bleef ontspannen.
Ik niet.
Ik dacht wat gebeurt hier, waar is die onzekere kater die ik ken, zou Bert dit vaker willen.
Beroemd
Nadien duurde het nog weken eer het onderwerp in de uitzending kwam. Uitstel volgde op uitstel, en vrienden van Bert gingen ook Hart van Nederland mailen. En toen kwam het, de avondeditie van 12 juni 2017. Het zit nergens in een archief, ik zou het graag nog eens zien. Maar de herinnering blijft, hoe Bert een filmster bleek te zijn, en van de ene dag op de andere een beroemde kater werd, en daardoor me aan het denken zette, want vermoedelijk zat er nog iets anders dan onzekerheid in deze katerman.
Lieve allemaal, nou is het zo heel erg veel herfst bij ons allemaal. Er is veel regen van ze wolken en iedereen blijf nou meer thuis mezelf ook.
ze in een rijtje.
Adfies
Hoi allemaal, hier Izzy. Neeeeee het gaat niet over bietsen, ik doe dat wel nog hoor hihihihihi. Maar vandaag mag ik namens ons allemaal een woordje doen.
Het is een nacht als altijd. Tante Catootje ligt opgekruld in het zachte mandje naast Mo der hoofdkussen. Foppe houdt haar voeten warm. Via het kattenluik loop ik in en uit om zowel ons huis als tuin te bewaken terwijl iedereen slaapt. Na de gebruikelijke plaspauze van ons mens wast ze op de tast haar handen bij de wasbak in de donkere keuken en neemt gelijk een glaasje water. Tot zover is alles normaal. Net als Mo slaapdronken terug naar boven wil gaan, hoort ze een geluid dat er nooit is. Geritsel. Ze is acuut klaarwakker. Dat stond niet in mijn planning.
klaargezet om morgen te poten. De voorjaarsbloeiers gaan de bijen die vroeg in het jaar wakker worden rijkelijk van eten voorzien. Weer geritsel. Ze knipt het felle licht aan. Met grote ogen tuurt ze gespannen naar het werkblad om te zien waar het onbekende geluid vandaan komt. Bij de volgende ritsel rent ze naar de keukendeur en zwaait em open. Tussen de punten van haar vingers pakt ze één voor één de zakjes op en zwiept ze de tuin in.
‘Japie, waarom doe je niets!’, gilt ze opeens. Happend naar adem kijkt ze ons met ogen als schoteltjes aan. ‘Jullie moeten dit oplossen!,’ zegt ze met schrille stem en weg is ze. Ze rent de trap op en sluit haar slaapkamerdeur hermetisch af. Daar zitten we dan met z’n viertjes. Foppe kijkt opgewonden rond. Hij heeft wel zin in een verzetje. De blik waarmee Tante Cato ons beschuldigend aankijkt zegt genoeg. ‘Je kan zo weg,’ meow ik tegen mijn grote bruine furriend, ‘de deur naar buiten staat nog open. Of gaan we Kat&Rat spelen?’
Zooo heee, wat was ik forige zondag blij met alle lieve letters die ik kreeg van mijn vrienden, dankjulliewel!, ik had iedereen zoooo gemist, en nau zijn we weer SAAME en dat find ik fantasties!
kon er de poot niet op leggen.
echte vriendschap nooit een einde komt, ik keek ook naar de footoos en ik foelde in die regenboog Bertje, Loes, mijn Brammievlinderleeuw, Bolle, Sam en al mijn andere sterrenvrienden, het foelde heel feilig aan, als een zachte pluisige deeken.